Een zon diep in de nacht

Een zon diep in de nacht

Toen de dichter Willem Barnard (1920-2010) nog leefde, ging ik af en toe met mijn Willem (Aantjes, 1923-2015) op zondag vanuit de Geertekerk naar Barnards huisje naast de kerk voor een kop koffie, een borrel en een goed gesprek. Het waren bijzondere ontmoetingen met een oude mopperkont.

Want dat was ‘ie en wie daar bewijs van wil, kan terecht bij Barnards selectie uit zijn dagboeken van 1945 – 2005, verschenen in 2009 onder de titel ‘Een zon diep in de nacht’.  Achthonderdeenendertig pagina’s lang is er een – volgens het voorwoord – gekuiste versie van zijn gemopper te lezen. Als je, zoals ik, een zonnige kijk op het leven hebt, is het bijna onmogelijk het boek te lezen zonder totale verbijstering. Het hele leven van Barnard schuurt en piept en kraakt. Hij is dominee, maar dat beroep ligt hem niet. Hij scheldt op de ‘burgermanskerk’, op de hervormde synode en op zichzelf. Hij wil liever dichter zijn, maar ja, de kerk, de synode en hijzelf zitten in de weg. Dat levert ook geestig gemopper op:

Nooit meer zal ik mij laten lijmen
ambtelijk voor de kerk te rijmen
met de synode officieel
als een groot bot mes op de keel.

Nee, het leven is geen pretje voor Barnard en al lezend in zijn dagboeken krijg je sterk de indruk dat wie dat anders ziet en beleeft niet helemaal lekker is. Het valt ook niet mee als een synode zich gaat bemoeien met jouw dichtkunst, als je niet een vrij kunstenaar kunt zijn. Maar ook als Barnard niets meer met enig kerkelijk gezag te maken heeft, blijft hij weg van een zonnig zicht op de samenleving, op de kerk en vooral op zichzelf.

De titel van Barnards verzamelde dagboeken komt uit een door hem vertaald lied van John Newton (How sweet the name of Jesus sounds). Het vijfde vers gaat als volgt:

Zolang Gij nog onzichtbaar zijt,
een zon diep in de nacht,
roep ik uw nadering reeds uit
omdat ik U verwacht.

Je ziet meteen een zonnegod die in zijn bootje tijdens de nachtelijke uren door de onderwereld vaart. Hij heeft zich goed verstopt voor de mensheid. Alleen de bewoners van de onderwereld zien hem in deze periode. In de bovenwereld kunnen mensen niet meer doen dan wachten en – mooie gedachte van Barnard – zijn nadering uitroepen.

De nacht duurt lang, heel lang bij Barnard. Zijn hele leven is een nacht, zijn leven is mislukt, hij is vol ‘onheiligheid’. Hij kwam steeds meer terecht in de sfeer van de strenge reformatorische stromingen. ‘Orthodox of niks’ werd zijn nieuwe motto. Daarmee kreeg hij het aan de stok met mijn Willem. Die had ook helemaal niets tegen de orthodoxie, maar wel iets tegen dogma’s en dogmatisch denken. Als mensen hem vroegen waar hij nou eigenlijk kerkelijk stond dan zei hij: ‘Ik ben orthodox zonder dogma’s’. Daar vonden ze elkaar dan weer; in de gedachte dat dogma’s een verschrikking zijn en vaak mensen in de weg hebben gezeten en meer kapot hebben gemaakt dan je lief is en….mopper, mopper, mopper. Twee oude mannen die als de hilarische Statler en Waldorf (Muppets) vanaf hun balkonnetje tekeer gaan tegen de meute beneden.

Dat is het beeld dat mij het meest zal bijblijven en dat ik ook wel zonnig vind. Het mopperen verheven tot een kunstvorm, bedreven door twee grijze figuren die zich niets aantrekken van gebruikelijke (al of niet kerkelijke) indelingen, tegenstellingen of opvattingen. Eigenwijs tot op het bot en tot hun laatste snik.

Ineke Ludikhuize
Gemeentelid Utrecht, redactie AdRem

Zie ook