Het gezicht van Floor Onnouw

Het gezicht van Floor Onnouw

Floor Onnouw (1950) ontmoet ik op het bureau in Utrecht als de landelijke contactledengroep weer eens vergadert. Nu reed ik maar eens naar haar toe ergens aan de rand van de wereld in Zwaag (bij Hoorn). Het is vlak, aan de rand van Zwaag staat weinig bebouwing nog en als je te laat remt rijd je zo het IJsselmeer in. Op bezoek bij een mensenmens die vooral iets te doen moet hebben.

Wortels

‘Ik ben eigenlijk een echte Utrechtse. Ik ging daar naar openbare basisschool  Puntenburg en in Wittevrouwen naar de meisjes – HBS. Mijn moeder was remonstrants, een tuindersdochter uit Vleuten. Mijn vader was hervormd. We gingen nooit naar de kerk. Bidden deden we ook niet. ’s Zomers gingen we zeilen en ’s winters draaiden we altijd ‘de zondagsplaat’ (Notenkrakersuite). Maar ik zat wel op catechisatie bij de vader van Foeke Knoppers – kort over de bijbel praten en veel over Vietnam –  en we hadden een kinderbijbel in huis. Ik ben orthoptist van mijn vak en behandelde bijvoorbeeld kinderen met een lui oog en mensen die dubbelzien. Van 1971 tot 1994 werkte ik in het ziekenhuis in Enschede. In 1991 heb ik belijdenis gedaan bij Bert Koek in de remonstrantse gemeente Twente. Mijn man Huub leerde ik in 1993 kennen op een reis naar Costa Rica, in 1996 zijn we getrouwd. Hij werkte toen in Alkmaar, dus ik ben maar naar het Westen getrokken. Ook in Alkmaar vond ik een sociaal netwerk in de  kerk. In de zestien jaar dat ik daar heb gewoond, was ik redactrice van het gemeenteblad, deed ik de verhuur van de kerk en was ik een termijn kerkenraadslid.  Dat was in de tijd van Edith Plantier en Ytje Poppinga. Net toen Pieter Korbee kwam in 2010 zijn we verhuisd naar Zwaag. Kerken bij de gemeente Hoorn bevalt prima, Bert Dicou is een creatieve predikant. Sinds 2015 zit ik hier in de kerkenraad.’

Vaag geloof

‘Ik heb een vaag soort geloof, denk ik. Kerkdiensten zeggen me eigenlijk niet zo veel, ik ben meer iemand van de gesprekskringen. De Open kring, inderdaad open voor iedereen. Ik ben lid van een doopsgezinde zusterkring – dat woord, jakkie, ik moest wel even over een drempel heen –  en volg een kring van ‘queer’ bijbellezen in een kroeg. Samen met andere mensen dingen doen en nadenken over het leven, dat ligt me goed. Wat me trekt is dat remonstranten heel open zijn naar anderen in de manier waarop zij geloven. God is mijn basis, mijn vangnet, ik heb altijd het gevoel dat ik het niet helemaal zelf hoef te doen. Maar ik moet hem wel zelf zoeken, hem in mijzelf aanboren. Maar laat mij niet bidden voor de wereldvrede of wat dan ook, dat zegt me niet zoveel. Bidden is voor mij tot rust komen. Jezus kan ik niet zien als de zoon van God, maar als een mens die goed geleefd heeft. God is voor mij vaak duidelijker in de natuur aanwezig dan in de kerk. Al denk ik na een kerkdienst toch meestal: fijn dat ik er was, het doet me toch wel wat. Vogels en planten, wandelen met de hond, wroeten in onze grote tuin: de Schepping Gods is helemaal aan mij besteed.

Lied 1, couplet 4, uit het liedboek ‘God heeft het eerste woord’, vind ik prachtig. Het luidt: God staat aan het begin / en Hij komt aan het einde. / Zijn woord is van het zijnde / oorsprong en doel en zin. We komen ergens vandaag en gaan daar ook weer naartoe. Leven is een tussenfase waarvan we het doel en de bestemming niet weten. Leven is iets bijzonders, misschien is dat God wel.

Michel Peters

Zie ook