Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet
Foto: pommiebastards

Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet

‘Dag dominee, fijn dat je er bent, hang uw jas daar maar op’. Terwijl de dominee, een vrouw van in de vijftig, achter hem aan de keuken inloopt, rommelt hij met de koffiekan. ‘U ziet me niet vaak in de kerk, want ik heb er niets meer mee. Er zijn veel dingen waar ik níet in geloof, waar ik niets in zie. En bij veel verhalen denk ik; ‘Dat hebben mensen er later van gemaakt’. Vindt u ook niet? Je moet die verhalen met een korreltje zout nemen. Die opstanding bijvoorbeeld, daar kan ik me nou niks bij voorstellen, u wel? En als ik naar mijn eigen leven kijk, denk ik; ‘Waar is die God dan? Ik zie er niks van. Wilt u een koekje? Ze zijn net zo oud als ik’.

Hij kijkt haar lachend aan. Ze ziet zijn witte gezicht met de zachte wangen, de diepe rimpels, de dooraderde handen die al veel werk hebben verzet. Het leven is niet altijd gemakkelijk geweest voor hem. Hij heeft zijn eigen ervaringen met de goede en de kwade dagen en laat zich niets wijsmaken. Net zoals de meesten van ons trouwens. ‘Wat vindt u daar nou van?’, zegt hij en kijkt haar priemend aan. ‘Ik zie het al, u weet het ook niet.’ ‘Wacht, als ik nou nieuwe koekjes pak, vertelt u dan eens een verhaal. Zomaar, een mooi verhaal’. En zo komt het dat zij het verhaal van de kikker in de put vertelt. Maar niet zomaar.

‘Lang geleden in een land hier ver vandaan was er eens een kikker. De kikker woonde in een diepe put. Op de bodem van de put lag water en modder. En als de kikker omhoog keek zag hij de hemel. De hemel was nu eens blauw, dan weer grijs en dan weer zwart. De kikker was tevreden in zijn put, hij woonde daar met veel andere kikkers, hij speelde, at en sliep en had een goed leven. Op een dag kreeg de kikker in de put bezoek van zijn neef die in het meer woonde. 

 ‘ O, o’ zei de kikker uit het meer ‘Jij woont wel erg klein!’
‘Zoooo…’, zei de kikker uit de put, ‘Dus jij woont groter dan ik?’
‘O ja, veel groter’ antwoordde de kikker uit het meer
‘Je bedoelt zeker dat jij wel een kwart put voor jezelf hebt?’
‘O veel meer’, zei de meerkikker weer, ‘Je kunt je niet voorstellen hoe groot mijn huis is’.
‘Ik snap het al: ongeveer de helft van mijn put’.
‘Veel groter, veel groter’ kwaakte de meerkikker stellig.

En de meerkikker nodigde zijn neef uit om uit de put te kruipen en te komen logeren. Zo gezegd zo gedaan. Onderweg kwaakte de putkikker honderduit over de gemakken van zijn leven in de put: hoe heerlijk je kon zwemmen en plonzen, en hoe gezellig het was met de andere kikkers. Kortom; hij was er aan gewend om zijn hele leven in de put te zitten. Na vele weken kwamen ze bij het meer. Toen de kikker uit de put het meer zag, werd hij stil. Want de omvang van het meer ging zijn voorstellingsvermogen volkomen te buiten. Hoog boven hen vloog een vogel. Verder en verder vloog de vogel tot aan de oceaan. Daar aangekomen herinnerde de vogel zich de kikkers die spraken over een put en over een meer en die nog nooit de onmetelijke uitgestrektheid van de oceaan hadden gezien’.

Terwijl hij weer thee inschenkt zegt de man tegen de dominee; ‘In de loop, nee, dóór de loop van je leven word je gevormd. En je gaat geloven dat wat jij hebt gezien en meegemaakt, dat dát het enige is, wat er kan zijn. Maar dat wil niet zeggen dat het Heilige, de Eeuwige, kracht, energie, de oerbron of hoe je het ook noemt er niet is. De onmetelijke uitgestrektheid van God gaat ons voorstellingsvermogen te buiten.’

In de bus naar huis zit de dominee achter twee schoolkinderen. Ze doen een spelletje; ‘Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet’. En de dominee hóort de antwoorden, maar ze zíet niet wat ze bedoelen …

Sabine du Croo de Jong
remonstrants predikant in Haarlem

(Verhaal komt uit de Boeddhistische traditie en wordt gebruikt om het verschil tussen het leven hier en nu en het Nirvana duidelijk te maken)

Zie ook