Parabels van vrijheid 
Foto: Nhi Dang

Parabels van vrijheid 

Van de zeventiende eeuw af waren remonstranten kampioenen van de vrije wil en de eigen keuze. Dat had oorspronkelijk met kwesties van geloofsleer en kerkbestuur te maken. Sindsdien is veel veranderd. Onze samenleving heeft breed aanvaard dat mensen een vrije wil hebben die gerespecteerd moet worden. De vraag is wel of we inderdaad zo vrij zijn als we graag veronderstellen. Zijn onze keuzes niet heel vaak voorgeprogrammeerd, door ‘nature’ en door ‘nurture’? Hoe kunnen we desondanks blijven spreken over vrij zijn en in vrijheid willen? Daarover gaat het in dit artikel. Allereerst over problemen met betrekking tot de vrijheid van de vrije wil.  

Vrijheid onder vuur 

Illusies
In de ogen van velen is de vrijheid een illusie gebleken. Een tamelijk recent voorbeeld daarvan is de ICT. In de negentiger jaren werden met deze nieuwe techniek perspectieven van een tot dusverre ongekende vrijheid verbonden.  Sherry Turkle schreef in haar Life on the Screen (1995) met groot optimisme over de vrijheid die door internet mogelijk zou worden: je kunt daar immers worden die je wilt zijn of eigenlijk meent te zijn. Oude grenzen en beperkingen zouden wegvallen. Het erasmiaanse ideaal van de civis mundi, de ‘global citizen’, zou met technische middelen realiseerbaar worden. Zestien jaar later publiceerde ze Alone Together (2011), waarin ze een aanzienlijk pessimistischer beeld schetste, gebaseerd op interviews met honderden mensen, van jong tot oud.  De verwachtingen die men koesterde, bleken onverminderd groot. Wat haar trof, is dat men vaak over ‘hoop’ sprak: ‘Online is where the good things will come.’ Maar het enthousiasme van het begin bleek getemperd, of verdwenen. Permanent bereikbaar zijn leidde vaak tot nieuwe vormen van onvrijheid: gebonden zijn aan een niet aflatende stroom van berichten, gevangen zijn in het digitale profiel. Door de sociale media lijken merkwaardigerwijs nieuwe vormen van verslaving, onvrijheid en vereenzaming te zijn ontstaan.   

Determinanten
Daarnaast werden in de loop der tijd telkens nieuwe determinanten van de vrije wil ontdekt. Dat is al eeuwen het geval. In een essay over ‘de mens als speelgoed’ (1995) noemde de psychiater Rudi van den Hoofdakker een reeks voorlopers (Hippocrates, Descartes, De la Mettrie, Kraepelin) van de gedachte dat wij ons brein zijn, dat dus onze hersenen precies datgene produceren dat we als onze psyche, onze geest, ons in vrijheid gekozen gedrag, zijn gaan beschouwen. De neurowetenschapper Victor Lamme staat al met al met zijn provocatieve typering van de geest als ‘een kwebbeldoos in onze linker hersenhelft’, in een respectabele rij. Wat overigens bij veel critici van de vrije wil opvalt, is dat zij in het algemeen terugdeinzen voor de simpele eliminering van nauw verwante noties als verantwoordelijkheid en straf. Zo schrijft Lamme in het laatste hoofdstuk van zijn boek De vrije wil bestaat niet (2010): ‘Bij oppervlakkige beschouwing lijkt de neurowetenschap te impliceren dat niemand meer verantwoordelijk is voor wat hij doet. Maar het tegendeel is eerder waar.’ Deze laatste zin, in het bijzonder het woordje ‘tegendeel’, lijkt nauwelijks verdedigbaar voor iemand die zo pertinent het bestaan van een vrije dus aansprakelijk te stellen geest heeft ontkend. 

Deze vaststelling van illusies en determinanten maakt een conclusie van meer algemene aard mogelijk. Het is niet erg zinvol om absolute posities pro of contra de vrije wil te betrekken. Er bestaat niet een soort ‘ghost in the machine’, die als vrije wil te identificeren valt. Maar de daarop veelal gebaseerde afwijzing van ieder spreken over ‘vrijheid’ is nauwelijks verdedigbaar. Vrijheid was ongetwijfeld altijd al een kwetsbaar, vluchtig, zich onttrekkend gegeven; door de indruk die het neurowetenschappelijk onderzoek op ons maakt, is ze dat wellicht in toenemende mate geworden. Maar het verband dat ze met onze kennis onderhoudt, is paradoxaal. Voor ‘kennis’ van de vrije wil geldt eigenlijk hetzelfde als voor ‘kennis’ van de idee God.  

Aan de ene kant ontdekt ons kenvermogen illusies en determinanten die ons spreken over een vrije wil (of over God) uiterst aanvechtbaar maken. Aan de andere kant is juist ons kenvermogen in staat om nieuwe mogelijkheden van behoedzame omgang met die illusies en determinanten te ontwikkelen. Dat laatste veronderstelt wel, dat we over wat ‘kennis’ is, genuanceerd moeten leren spreken. Ons kenvermogen zal een beroep moeten willen doen op bronnen van inzicht die uitgesloten worden door de exclusief wetenschappelijke visie op wat waarheid is: de mythen van de mensheid, literaire verhalen, tot denken prikkelende parabels. Veel beter dan conceptuele verklaringen en theorieën, zijn verhalen in staat om recht te doen aan de gelaagdheid van onze geest en aan de verschillende contexten waarbinnen we opereren. 

Parabels van vrijheid 

Hoe leven we met een kwetsbare en geconditioneerde vrijheid? Ik haal drie facetten van een dergelijke manier van leven naar voren en licht ze toe met behulp van drie parabels. Ze beschrijven respectievelijk de vrijheid van de weigering, die van de onbevangenheid en die van de verbeelding. 

Weigering (de leeuw) 

Het eerste is de vrijheid van de weigering, de vrijheid om neen te zeggen, neen tegen de repressieve last van een traditie of tegen de macht van het boze. Over het eerste neen vertelde de door Nietzsche gecreëerde profeet Zarathustra zijn parabel van de metamorfosen van de geest (de eerste die hij in Also sprach Zarathustra vertelt). De eerste gedaante is die van de kameel die geduldig en eerbiedig is, die ervan houdt zich te vernederen, lief te hebben wie hem veracht en zich onder te dompelen in het smerige water van de Waarheid. De leeuw, die de tweede metamorfose is, keert zich tegen deze onderdanigheid en zelfvernedering. Hij brult zijn neen tegen de oeroude waarden van het ‘gij zult’ en zegt in plaats daarvan ‘ik wil’. ‘Nieuwe waarden scheppen – dat vermag ook de leeuw nog niet: maar vrijheid scheppen om tot een nieuw scheppen te komen – dat is het wat de macht van de leeuw vermag.’  

Onbevangenheid (het kind) 

Na de neen zeggende vrijheid van volgt in de tweede plaats de constructieve vrijheid tot. De richting die deze positievere vrijheid kiest, laat zich per definitie niet vastleggen. Een haast onbegrensd palet van mogelijkheden en keuzes biedt zich aan. Ik denk hier aan befaamde parabels die volgens de evangeliën Jezus vertelde. Het kind dat door Jezus in het midden werd geplaatst heeft de rol van wat bij uitstek onbevangen en ontvankelijk is. Het telt niet mee in de wedijver van volwassenen om de belangrijkste positie, maar kan juist daarom een gelijkenis van Jezus zijn, zoals op zijn beurt Jezus een gelijkenis van God is: ‘Wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar hem die mij gezonden heeft.’ (Marcus 9:37). Het kind is bij uitstek ontvankelijk, ook voor werkelijkheden waarover alleen in parabels te spreken valt: ‘Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan.’ (Marc.10:15). Met de vrijheid van de tot niets anders dan nabootsing leidende wedijver, correspondeert een vrijheid tot vooralsnog ongehoorde en ongekende mogelijkheden.     

Verbeelding (een taxichauffeur) 

Het derde facet van een nieuw spreken over vrijheid komt weliswaar als laatste ter sprake, maar beschrijft in feite de geestelijke ruimte waarin mensen een ik zeggende leeuw of een onbevangen kind kunnen worden. Ik doel op de vrijheid van de verbeelding en van de humor. Amos Oz schreef eens een essay over de vraag of en zo ja hoe een fanaticus te genezen is (2004). Hij vertelt met het oog daarop een parabel, over een taxirit in zijn land Israël. De chauffeur meent dat alle Arabieren gedood moeten worden en dat de Israëli die taak eerlijk onderling moeten verdelen. ‘Maar als u nu, ‘vraagt de passagier, ‘na uw huizenblok te hebben afgewerkt, op de vierde verdieping een baby hoort huilen? Wat dan?’ Het blijft een ogenblik stil en dan zegt de chauffeur: ‘Weet u, u bent een heel wrede man.’ De parabel die Amos Oz vertelt, laat zien hoe een fanatieke taxichauffeur tot een begin van inleving wordt gebracht. De ingrediënten daarvan zijn verbeeldingskracht en humor. Met het eerste is het vermogen bedoeld om zich in te leven in wat in een ander omgaat. “Ik geloof dat iemand die zich kan voorstellen wat de gevolgen van zijn opvattingen zijn wanneer het om die huilende baby op de vierde verdieping gaat, wellicht iets minder fanatiek wordt – wat een kleine verbetering is.” Het tweede ingrediënt is de humor, ‘het vermogen om te beseffen dat los van je gelijk en los van het grote onrecht dat je is aangedaan, het leven een bepaalde kant heeft die een beetje grappig is. Hoe groter je gelijk, hoe grappiger je wordt.’ 

Een vrije wil – ondanks alles 

De veronderstelling van een vrije wil is onontkoombaar, dat concludeer ik tenslotte. Het is terecht dat de remonstranten iets met dit thema hebben – zoals ik in de eerste zin van dit artikel vaststelde. Een vrije wil is essentieel om nee te kunnen zeggen, ontvankelijk te kunnen zijn, je te kunnen inleven. Essentieel is hij ook voor de aanvaarding van verantwoordelijkheid, voor het eventueel rebelse verlangen jezelf te willen worden, en ja, ook voor de formulering van wat jij (en op dat moment niemand anders) gelooft.  

Johan Goud
Remonstrants emeritus-predikant, van 2009-2015 was hij Hoogleraar Religie en zingeving in literatuur en kunst   

Dit artikel is de bewerking van een deel van mijn bijdrage aan de afscheidsbundel voor Marius van Leeuwen, Kerk en buitenwereld. Opstellen over de kerk in de samenleving, Zoetermeer: Meinema, 2012, p.154-165

Zie ook