Het gezicht van  Joanne Batelaan
Foto's: Frans van den Broeke

Het gezicht van Joanne Batelaan

Joanne Batelaan (1951) uit Barendrecht spreekt met Michel Peters over de integratie van het boeddhisme in haar christelijke geloofsleven bij de Remonstranten in Rotterdam. ‘Het leven bruist, ondanks alles’

Christelijke roots

‘Ik ben geboren in Rotterdam en opgegroeid in Schiedam in een synodaal gereformeerd nest. Mijn vader was leraar tekenen en kunstgeschiedenis en zelf ook schilder. In Vlaardingen volgde ik het gymnasium α. Mijn broer was psychiatrisch patiënt en dat heeft zeker mijn beroepskeuze beïnvloed. ‘Het moest iets met mensen worden’. Zo ben ik ergotherapie gaan studeren. Mijn studietijd heb ik in Amsterdam doorgebracht. Ik was daar betrokken bij de Amstelkerk, in de tijd dat daar ook Huub Oosterhuis en pater Van Kilsdonk rondliepen. Mooie tijd was dat! Daar heb ik voor het eerst meditatie ontdekt bij de School voor Filosofie.

In 1976 ben ik gaan werken op de dagbehandeling van een verpleeghuis in Den Haag. Ik ging op bezoek bij mensen om advies te geven hoe zij hun huis op hun handicap konden inrichten en welke hulpmiddelen ze daarbij konden gebruiken. Het gereformeerde geloof paste me ondertussen niet meer. Met mijn gereformeerde jongerenvereniging hadden we geregeld bezoeken aan andere kerken gebracht en zo kwam ik op mijn dertigste ook in de remonstrantse kerk in Rotterdam terecht. De spreuk boven de kerkdeur – eenheid in het nodige, vrijheid in het onzekere en in alles de liefde –  sprak me meteen heel erg aan’.

Integratie met boeddhisme

‘Nou ja, om kort te gaan, ik ben er gebleven vanwege de ruimte om zelf na te denken en vanwege een meditatiegroep onder leiding van ds. Duinker die er actief was. Kerkenraads-voorzitter Alexander Mispelblom Beijer was bevlogen geraakt door het Tibetaans boeddhisme, dat door Han de Wit in Nederland werd gepromoot. Ik ben mee gaan doen met een meditatiegroep vanuit die richting en betrokken geweest bij trainingen en retraites. Boeddhisme kan naar mijn gevoel heel goed samen gaan met mijn christelijke geloof. Beiden gaan uit van een grotere werkelijkheid, de toevoeging van het boeddhisme voor mij is dat die werkelijkheid ook met het hart wordt ervaren, het lichaam doet mee, staat open voor het transcendente. Wat mij heel erg aanspreekt zijn de zes ‘paramitas’, zes manieren om meedogend, vanuit compassie te leven: vrijgevigheid, discipline, geduld, vreugdevolle inzet, meditatie en wijsheid. Het boeddhisme geeft praktische handvatten om te leven en kent een verfijnd systeem van psychologie. Meditatie is niet navelstaarderig, integendeel, het onderzoekt de werking van de eigen geest waardoor je een breder beeld van de werkelijkheid krijgt. Je hebt er moed voor nodig, want het confronteert je met jezelf, je ego, je ergernissen en verlangens.

In 1999 had ik een moeilijke tijd. Ik ben toen gescheiden van mijn eerste man, ben met vervroegd pensioen gegaan, had veel zorg om mijn broer die psychoses had en zorg voor mijn ouders. In die tijd had ik geen rust en ruimte om te mediteren. Schilderen lukte wel. Ik heb dit vredige landschap opgezet als tegenwicht tegen de onrust in mijn leven. Mijn huidige man Frans heb ik een jaar later in de remonstrantse kerk ontmoet. We zijn nu beiden lid van de spirituele kring die nog steeds in de Rotterdamse kerk bestaat, nu onder leiding van Koen Holtzapffel. Een keer per jaar organiseren Koen en ik een kloosterweekend.
Over rustgevend gesproken: Frans en ik hebben een huisje in de Achterhoek, waar we genieten van het tuinieren. De natuur en het eenvoudige leven laden me op, geven me troost. ‘Het leven bruist, ondanks alles’, realiseer ik me als ik daar bezig ben.

Michel Peters

 

Zie ook