
Graag feliciteer ik de Remonstranten met de twintigste verjaardag van de Belijdenis uit 2006! Als orthodox-gereformeerd protestant ben ik ongetwijfeld uitgenodigd om een stevig tegengeluid te laten horen, maar eerlijk gezegd kan ik de belijdenis voor een belangrijk deel meemaken, en dat viel me mee. Of moet het mij tegenvallen en ben ik verder van het gereformeerde padje dan ik waar wil hebben?
Wat mij aan deze belijdenis opvalt is het accent op de pneumatologie en de eschatologie, ofwel: de Geest en de hoop op de toekomst. De kerk staat in het licht van de hoop, Jezus is een van Geest vervulde mens en het geloof zelf richt zich op Gods Geest die wat mensen scheidt te boven gaat. Ik hoor daarin tal van tonen uit met name de twintigste-eeuwse theologie, die niet langer bij standen van zaken voor anker wil gaan, maar zich verwachtend uitstrekt naar het nieuwe bestaan. Mij smaakt dat wel, beter dan een theologie die vooral op de winkel past.

Het venijn zit ‘m nu eens niet in de staart, maar in het begin. Welke belijdenis begint nu met een ontkenning? Dat wij onze rust niet vinden in de zekerheid van wat wij belijden is kennelijk als afgrenzing bedoeld. Maar tegen wat of wie eigenlijk? Is de veronderstelling hier dat gereformeerden hun zekerheid vinden in wat wij belijden? Ik zou daar zeker niet voor zijn. Het gaat allereerst om wie we belijden: de levende God. Mijn houvast vind ik niet in mijzelf of in de kracht van mijn geloof of belijdenis, maar mijn enige houvast in leven en sterven is dat ik Jezus Christus toebehoor (Heidelbergse Catechismus, Zondag 1).
Uiteraard had ik graag gezien dat Christus niet alleen als Geestvervulde mens, maar ook als Gods enige Zoon beleden was, en dat zijn verzoenend werk expliciet werd beleden. Die kritiek ligt voor de hand. Maar een ander punt is mogelijk nog opvallender. Zo goed als het accent op de Geest een teken van de tijd is, geldt dat ook van het ontbreken van God de Vader. Werd dat in 2006 al te patriarchaal gevonden? Ik denk dat er meer aan de hand is. De schepping als zodanig is geen thema, maar wat traditioneel de voorzienigheid heet wel. Het gaat over verwondering over wat ons toevalt. Mooi gezegd, al staat er feitelijk wel dat we daarin dan wél onze rust vinden, wat me problematisch lijkt: rust in verwondering? Ik heb er geen beeld bij. Maar wat ons toevalt, waar komt dat vandaan? De reeds genoemde Heidelbergse Catechismus spreekt hier over Gods vaderlijke hand. Daar had wat mij betreft royaler over gesproken mogen worden. Want die toekomst van de wereld waarop we hopen, wat kan die anders zijn dan wat God in Christus schept?
Arnold Huijgen
Arnold Huijgen (1978) is een Nederlands theoloog, predikant binnen de Christelijke Gereformeerde kerken en per 2022 hoogleraar aan de Protestantse Theologische Universiteit. In 2025 kreeg hij voor een jaar de titel Theoloog der Nederlanden.

Einar Folmer (1964), gemeentelid in de Johanneskerk in Amersfoort, was voor een sabbatical in Griekenland: hopelijk iets nuttigs doen bij NAOMI… Lees verder