20 december 2017

De oude, de overbekende en de actuele betekenis van Kerst

Geschreven door Marius van Leeuwen
Inspiratie Foto: youtube.com De oude, de overbekende en de actuele betekenis van Kerst

Op 25 december, met kerstmis, vieren christenen de geboorte van degene die in hun geloof een centrale plaats heeft: Jezus, die ook Christus wordt genoemd. ‘Kerst’ staat voor ‘Christ’: het gaat om een ‘mis’ of feest ter ere van hem. Maar er zijn, zoals dat bij meer feesten het geval is, oudere betekenislagen: kerstmis heeft ook trekken van een midwinterfeest. Daarover straks meer. We beginnen bij de verhalen die bij het christelijke feest horen.

De oude verhalen                

Twee van de vier levensberichten (evangeliën) omtrent Jezus, die in de bijbel zijn opgenomen, besteden aandacht aan zijn geboorte. Maar ze doen dat heel verschillend. In het evangelie volgens Matteüs (hoofdstuk 1, vanaf vers 18) komt die geboorte zelf maar even ter sprake. Matteüs vertelt dat Jozef in verlegenheid was omdat Maria, die aan hem was uitgehuwelijkt, zwanger bleek te zijn. Maar een engel stelde hem gerust: hier was geen andere man in het spel, Maria’s kind was verwekt door de heilige Geest. ‘Je moet de jongen Jezus noemen’, zei de engel, ‘want hij zal zijn volk bevrijden van zonden’. En Jozef gaf het kind die naam: Jezus, J’shua (‘JHWH, de Heer, bevrijdt’).

Daarna wordt de geboorte haast in het voorbijgaan genoemd: ‘Toen Jezus in Betlehem geboren was’ meldden magiërs (wijzen) uit het Oosten zich in Jeruzalem bij koning Herodes. Ze vroegen hem waar in Juda de nieuwe koning was geboren, wiens ster ze aan de hemel hadden zien staan. Geschrokken informeerde de koning bij kenners wat de profetieën zeiden over de komst van een messiaanse koning. Zij vertelden dat die in Betlehem werd verwacht. En inderdaad: daarheen wees de ster de magiërs de weg. Ze vonden Maria met haar zoon en bewezen hem eer. En hoewel Herodes bevolen had om hem te komen vertellen waar het kind precies te vinden was (opdat ook hij het eer kon bewijzen) gingen de magiërs langs een omweg naar huis: ze waren in een droom voor Herodes gewaarschuwd. Ook Jozef droomde van een engel die waarschuwde dat Herodes het kind wilde doden; hij vluchtte met vrouw en kind naar Egypte. Zo ontkwam Jezus aan het bloedbad dat Herodes, bang voor concurrentie, aanrichtte: hij liet in Betlehem alle jongetjes tot twee jaar doden.

Lucas vertelt over geboorte Jezus

In het Matteüs-evangelie gaat het vooral over de goddelijke afkomst van Jezus en over wat zijn komst teweegbracht: aanvankelijk verlegenheid bij Jozef, eerbied en nieuwsgierigheid bij de magiërs, achterdocht en woede bij Herodes. Maar voor het verhaal over Jezus’ geboorte moeten we niet bij Matteüs zijn. Het evangelie volgens Lukas (hoofdstuk 2) is het enige waarin het licht voluit daarop valt. Verteld wordt dat de inwoners van het Romeinse Rijk zich, op keizerlijk bevel, moesten laten registreren in de plaats waar ze vandaan kwamen. Zo ging Jozef met Maria, zijn aanstaande, van Nazaret naar zijn vaderstad Betlehem. Maria was hoogzwanger, maar ze vonden geen ander onderdak dan een stal. Daar werd hun zoon geboren. Maria wikkelde hem in doeken en een voederbak diende als wieg.

Dan neemt de verteller ons mee naar de velden buiten Betlehem. Daar brachten herders de nacht door bij hun kudde. Opeens verscheen er een engel, met goed nieuws: ‘jullie redder is geboren, de messias (Grieks: christos). Jullie zullen hem vinden in een voederbak, gewikkeld in doeken’. Een koor van engelen onderstreepte dit met een loflied op God. En de herders vonden het kind, zoals het hun was aangekondigd, en vertelden Maria en Jozef wat de engel had gezegd.

Kerstevangelie

Dit verhaal van Lucas wordt wel ‘het kerstevangelie’ genoemd, het bevat veel elementen die klassiek werden: de tocht naar Betlehem, de stal die als gastenverblijf moest dienen, de voederbak die als wieg werd gebruikt, de herders die ’s nachts waakten over hun kudde, de engel die goed nieuws kwam brengen, het engelenkoor dat ‘Ere zij God’ zong, de herders die als eersten het kind kwamen groeten en die iedereen verbaasd deden staan over het goede nieuws dat zij over dit kind hadden vernomen.

Klassieke elementen, maar één ontbreekt er: de vermelding dat het winter was, hartje winter. Sinds wanneer is het kerstgebeuren gekoppeld aan de maand december?

Zonnefeest kerstenen        

Dat maar één van de evangeliën ruim aandacht geeft aan Jezus’ geboorte doet al vermoeden dat het verhaal daarover in de vroege kerk geen grote rol speelde. Tot de vierde eeuw bestond er dan ook geen kerstfeest. Men vierde de geboorte van Jezus met Pasen (dat was vanaf het begin van de kerk wél een groot feest). Het betrof dan zijn tweede, ‘bovennatuurlijke’ geboorte: zijn opstanding tot een hemels, eeuwig leven. De sterfdag van een martelaar gold immers als zijn geboortedag.

Maar toen in de vierde eeuw het christendom een machtige godsdienst werd, kwam de behoefte op om ook de aardse geboorte van de ‘stichter’ feestelijk te gedenken. Elk historisch gegeven over de dag waarop en het jaargetij waarin hij was geboren ontbrak. Maar 25 december, de winterzonnewende waarna de zon ‘terugkeert’ en de dagen weer gaan lengen, diende zich als vanzelfsprekend aan. Op die dag vierde men in de wijdverbreide Mithras-cultus dat Mithras als een lichtgod uit een steenrots werd geboren. En tegen het einde van de derde eeuw had keizer Aurelianus afgekondigd dat op die dag voortaan ter ere van hém het feest van de onoverwinnelijke zon, de ‘Sol Invictus’, moest worden gevierd. Welnu, wat was, toen het christelijke geloof in het Romeinse Rijk werd erkend en later zelfs tot de officiële godsdienst werd, passender dan dat zonnefeest te kerstenen en tot het geboortefeest van Jezus de Christus te maken, de ‘zonne der gerechtigheid’ waarvan de profeet Maleachi ooit had gesproken?

Vóór-christelijke gebruiken overgenomen

Met die koppeling van het geboortefeest van Jezus aan de winterzonnewende haakte de kerk aan bij allerlei vóór-christelijke gebruiken, die de mensen hielpen om door de donkere maanden heen te komen. Zo ging de zonnewende op veel plaatsen sinds mensenheugenis gepaard met het ontsteken van vuren, een ritueel dat de terugkeer van de zon moest bespoedigen. De christenen namen dat over. Vuren, of bescheidener: lichtjes, kaarsen symboliseren het licht dat met Christus in de wereld kwam.

Oeroud was in sommige streken ook het gebruik om heiligdommen in de winter te versieren met takken van altijdgroene bomen, als om de winterse, kale natuur het goede voorbeeld te geven. Bij de christenen werd dat groen tot een symbool van Gods scheppingskracht en van het nieuwe leven dat met Christus verscheen. In later eeuwen haalden zij hele bomen in huis!

Blijvende populariteit

Op veel plaatsen was het ook al van oudsher gebruik om midden in de winter een feestelijke maaltijd te houden, waarbij werd opgediend wat er maar aan vruchten van boom of veld ter beschikking stond. De hoop was dat het komende jaar zo rijk aan oogst zou worden als dit midwintermaal. Ook dat gebruik werd veelal bij de viering van kerst meegenomen: daarbij hoorde een feestelijke maaltijd.

Die aansluiting bij voorchristelijke gebruiken droeg ertoe bij dat kerstmis binnen enkele eeuwen op veel plaatsen een geliefd feest was. Ze verklaart tevens de blijvende populariteit van kerst en van zulke zaken als kerstverlichting, kerstboom, kerstdiner, ook in een sterk geseculariseerde samenleving en bij mensen die het verhaal dat de christenen met dat alles verbinden, nauwelijks meer kennen. Die populariteit heeft te maken met het feit dat die gebruiken een oeroude symbolische lading hebben, die appelleert aan algemeen-menselijke angsten en verlangens, althans in streken waar de winters langer zijn en koud.

Een menselijk gebeuren en een paradox         

Maar minstens zo belangrijk ter verklaring van de populariteit van kerst is een tweede factor: de menselijkheid van het centrale verhaal. Weinig dingen spreken vrijwel iedereen zo direct aan als de geboorte van een kind.

Met kerstmis wordt, ondersteund door de ‘natuurlijke’ symboliek van winter en kou, licht in het duister, een speciaal verhaal verteld. God toonde zich, volgens het christelijke verhaal, éénmaal op heel speciale wijze: in een weerloos kind. Dat kan iedereen tot op zekere hoogte begrijpen: is elk pasgeboren kind niet een wonder van ‘nieuw begin’? Maar in zijn ‘kerstevangelie’ doet Lucas er tegelijkertijd alles aan om de geboorte van dat kind in Betlehem als een wonder boven wonder voor te stellen. Het is een paradoxaal verhaal: een kind in een verre uithoek van het rijk van keizer Augustus, geboren in een stal en in een voederbak gelegd; een kind van wiens komst herders, mensen aan de rand, de eerste getuigen waren, wordt gepresenteerd als de redder van heel het volk, alle mensen, de Messias. Geen wonder dat ‘allen die het hoorden, verbaasd stonden over wat de herders vertelden’.

Met kerstmis gaat het over een geboorte, een heel menselijk gebeuren. En tegelijkertijd gaat het over méér dan een schattig kindje in een kribbe of voederbak. Dat kindje wordt de Messias, Christus, genoemd. Op kerstavond (24 december) wordt in de kerk het verhaal daarover gelezen. Kerstmis kent ook een vervolgfeest: 6 januari, Driekoningen (in de traditie zijn de magiërs uit het Oosten drie koningen geworden), waarop het andere verhaal, dat uit het Matteüs-evangelie, wordt gelezen. Met alle dreiging van dien: Herodes wilde de Messias, Christus al uit de weg ruimen, het kind ontkwam ternauwernood aan zijn woede. Zo wijst het verhaal over Jezus’ geboorte vooruit naar Goede Vrijdag en Pasen. Dat weerloze kind zal straks, zo geloven zijn volgelingen, degene zijn voor wie er in een wereld vol geweld geen plaats is, die in liefde, weerloos zijn leven geeft, en in wie mensen juist zo het gelaat van God herkennen.

Over Marius van Leeuwen

Marius van Leeuwen

Marius van Leeuwen is emeritus hoogleraar aan het Remonstrants Seminarium.

Gerelateerd