23 december 2017

Een zwerver op je kerstdiner, lekker dan

Geschreven door Jan Rudolph Bienfait
Inspiratie Foto: Thomas Wagner Een zwerver op je kerstdiner, lekker dan

Vorig jaar, een week voor kerstmis, een telefoontje van moeder over het kerstdiner. Ze wilde afspreken wie voor de wijn zou zorgen, wie voor de borrelhapjes en wie aan de beurt was voor de plumpudding. Alle gezinnen zouden komen en dit keer ook alle kleinkinderen. Even was het stil aan de andere kant van de lijn, daarna kwam heel bedeesd: ‘Je vader heeft ook een zwerver voor het kerstdiner uitgenodigd’. Ik explodeerde: ‘Een zwerver, zo’n dakloze, is hij gek geworden, hoe komt hij op dat idiote idee, dat kan het hele kerstdiner verzieken’. Het zat zo, ging moeder door, na de kerkdienst deze zondag heeft je vader op straat een dakloze aangesproken en uitgenodigd, en die zei onmiddellijk ja. ‘O, mijn hemel, kreeg vader weer een acute aanval van menslievendheid, nog onder invloed van  de preek van jullie moderne dominee? En geen overleg natuurlijk met jou en ook niet met de kinderen. Vond jij dat dan zo maar goed? ‘Hij heeft na de kerkdienst wel iets geopperd, en toen heb ik gezegd dat het misschien wel een goed idee zou zijn, maar ik had nooit gedacht dat hij meteen actie zou nemen’. Ik kwam toen pas goed op stoom: ‘Weet je wel wat dat betekent, zo’n zwerver aan ons kerstdiner? We zijn niet meer onder ons. En heb je wel eens in de tram gestaan naast zo’n zwerver, die stinken soms een uur in de wind, en in een warme huiskamer meurt dat dubbel op. ‘Nou’, merkte moeder op, ‘misschien komt hij helemaal niet, waarschijnlijk durft hij helemaal niet binnen te komen als hij ons huis ziet met al jullie auto’s en  zo’.

Hij stonk niet

Hij kwam dus wel. Wild, lang haar, maar wel verzorgd. Oude, maar schone kleren en hij stonk niet. Er heerste een geforceerde sfeer. Je zag dat iedereen er voor zorgde dat er geen stilte zou vallen. De vraag van een van de kleinkinderen of hij – de man – ook op de kerstmarkt geweest was deed iedereen verstijven. Er werd daar immers tot ergernis van alle marktbezoekers fors gebedeld en misschien was hij wel een van die bedelaars. De man keek de kring rond. ‘Ik bedel niet, wel zijn het voor mij de belangrijkste dagen van het jaar. Ik heb daar ieder jaar goeie handel. Ik ga altijd  vlakbij de kraam staan waar ze glühwein verkopen. Als de mensen om een of meer bekers vragen worden die meteen volgeschonken en naar ze toe geschoven. Ze denken dat het plastic bekertjes zijn. De meeste mensen schrikken als ze de prijs horen, en je hoort ze zeggen: ‘Da’s duur!’. Ja, zegt de man van de kraam, dat is niet alleen voor de wijn maar  je betaalt ook voor die mooie grote beker met de Eusebiuskerk er op en dat is toch zeker mooi met kerstmis? De mensen aarzelen even maar betalen toch. Je ziet ze denken, wat moet ik met zo’n beker. En dan kom ik in actie. Als de mensen de beker leeg hebben ga ik naar ze toe en vraag of ik die beker mag hebben. Bijna iedereen zegt ja, en dan ga ik naar de achterkant van de kerstkraam en lever weer een stelletje van die bekers in. Dat is op zo’n dag zeker twintig euro of meer. Ik word ook geholpen door de agenten in burger die de zakkenrollers in de gaten houden. Die zeggen dan bijvoorbeeld dat op een muurtje aan de rand van de markt wat lege bekers staan. Verder is er voor mij niets aan op de markt. De mensen kijken je nooit aan, ze kijken dwars door je heen, je voelt de afstand.

Kerstmis, een feest van licht en warmte

Van toen af kwam er een  levendig gesprek op gang, de kleinkinderen vroegen naar zijn leven op straat en wat hij daar allemaal meemaakte en dat was nogal wat. Ze luisterden ademloos en ik moet toegeven: voor ons was het ook interessant. Op het einde van de avond voordat iedereen vertrok, vroeg de man of hij iets mocht zeggen. ‘Dank voor alles. Jullie hebben me allemaal aangekeken, ik voelde geen afstand tussen jullie en mij. Dat geeft mij een heel fijn, warm gevoel, ik neem het mee naar de nachtopvang. Jullie hebben meer met mij gedeeld dan eten en drinken. En ook nog bedankt voor de grote kaars. Die mag ik in de opvang niet branden. Die neem ik iedere dag mee als ik de straat op ga. Er is altijd wel een hoekje in een portiek of zo waar ik de kaars kan aansteken en mijn handen kan warmen. Wat zeiden jullie ook alweer, ‘Kerstmis is een feest van licht en warmte’.

 

 

Gerelateerd