
Het boek De dood de baas van de theoloog Harry Kuitert zwerft al een tijdje door mijn studeerkamer. Eerst stond het in de boekenkast, toen verhuisde het naar een stapeltje op mijn bureau en heb ik het af en toe als onderzetter gebruikt. Pas geleden heb ik het toch maar eens opengeslagen. In zijn boek belicht Kuitert 23 gedichten die cirkelen rond sterven en weer opstaan.
Fascinerende, dubbelzinnige titel: is de dood ons de baas, of zijn wij de dood de baas? De woorden kun je ook lezen als een kernachtige omschrijving van Pasen: na het lijden en sterven van Jezus, vieren wij zijn opstanding tot nieuw leven. De dood krijgt niet het laatste woord.

Christus verschijnt aan Maria Magdalena als hovenier (1615-1618) van Peter Paul Rubens. In bezit van het Rijksmuseum.
Het verhaal uit het Johannesevangelie dat vaak op Paasochtend wordt gelezen, waarin Maria uit Magdala Jezus voor de tuinman houdt en hem pas herkent als hij haar bij haar naam noemt (Johannes 20,1-18), gaat al bijna twintig eeuwen mee, maar de tijd heeft geen vat gekregen op de zeggingskracht. In het boek van Harry Kuitert kwam ik een gedicht tegen dat minstens zo ontroerend is. Het is van Ed. Hoornik en draagt als titel: ‘Ik ben de kleine dochter…’
Ik ben de kleine dochter van Jaïrus.
Ik lig hier op een veel te grote baar.
De dood zit in mijn ogen en mijn haar,
dat, nu de krul er uit is, zonder zwier is.
Ik mis mijn pop, die nu zij niet meer hier is,
slaapt als ik slaap, de vingers in elkaar.
Ik weet dat twee en twee tezamen vier is,
maar nu ik dood ben, is dat niet meer waar.
Waarom had ik daarstraks ook weer verdriet?
Er zou een man, die toveren kon, komen,
mij beter maken, maar toen kwam hij niet.
De mensen op het dak en in de bomen
gingen naar huis, maar ik blijf van hem dromen.
Morgen ben ik de eerste die hem ziet.
Ed. Hoornik laat het gedicht ophouden op een moment waar de bijbelpassage nog verder gaat. Marcus vertelt dat Jezus de kamer van het meisje binnengaat, haar hand pakt en tegen haar zegt: ‘Talita koem!’ – ‘Meisje, sta op!’ En het meisje stáát op (Marcus 5,35-43).
Harry Kuitert verbindt de laatste regel: ‘Morgen ben ik de eerste die hem ziet’, met de verwachting die er leeft in Jezus’ dagen. Jezus zal spoedig terugkeren naar de aarde en de doden doen herleven. Het dochtertje van Jaïrus weet zeker, in de woorden van Ed. Hoornik, dat zij dan de eerste zal zijn die hem ontmoet.
In mijn verbeelding zijn intussen die twee vrouwengestalten in elkaar overgevloeid: Maria uit Magdala uit Johannes en het dochtertje van Jaïrus uit Hoorniks gedicht. Samen treuren zij op Stille Zaterdag om de gestorven Jezus. Zij willen de hoop op een weerzien met hem niet opgeven. De slotwoorden van het meisje kan Maria alleen maar beamen: ‘Morgen ben ik de eerste die hem ziet.’ Zo laat het gedicht van Ed. Hoornik zich lezen als een Paasgedicht.