
Als er iets veranderd is in de afgelopen vijfentwintig jaar dan is het wel de manier waarop we met elkaar communiceren. Inderdaad. Dat is niet meer dan een open deur uit de mond van een boomer. Iedereen, ouder dan Gen. Z, valt het op in het straatbeeld. Een appende ouder achter een kinderwagen. Een bellende puber op de fiets. Reizigers bij de bushalte die hun route checken op hun telefoon. De communicatie voltrekt zich grotendeels online, in de cloud. De fysieke ander komt veelal pas merkbaar in beeld wanneer we ons en masse in een trein of bus wurmen. Dan voelen we een por in onze rug. Ruiken we het zweet van een medereiziger. Ervaren we het ongemak van die man die nét te dicht op ons staat.
Dat de technologische invloed echter verder strekt dan een veranderd straatbeeld, leert mij Roxanne van Iperen. In haar boekje geschreven voor de afgelopen Maand van de Filosofie. Waarin ze haar lezers de ogen opent voor de ongekende macht van techmiljardairs op hun gebruikers. Waardoor de werkelijkheid niet langer is gebaseerd op een gedeelde ervaring. Maar een voor ieder individu op maat gemaakt product geworden is. Door middel van smartphones met een gepersonaliseerde berichtenstroom. Passend in onze broekzak. Met telkens nieuwe op onze hoogst individuele persoon gerichte, verslavende aanbiedingen. En, ja hoor: op zoek naar een geschikte zitbank stroomt mijn telefoon plots vol met bankstellen! Het is een virtuele wereld, die ons bevestigt in onze subjectieve voorkeuren en emoties. Waardoor we, met de boektitel, steeds meer ‘zien wat we geloven’. In plaats van dat we ‘geloven wat we zien’. Op basis van wat we samen met het blote oog waarnemen.

‘Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich geheel vulde. Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidde en allen werden vervuld van de Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven’. Zo begint het Pinksterverhaal. Met een bijzondere ervaring. Het vertelt hoe de apostelen offline bijeen waren. Op de vijftigste dag na het joodse Paasfeest. Toen plotseling het huis waarin ze verbleven vervuld raakte van een Geest die allen verenigde. En de vonk over sloeg op de vele vrome Joden uit verre uithoeken van het Romeinse Rijk. Ineens begreep iedereen elkaar.
De Geest wordt beschreven in beeldtaal. Aan de hand van de elementen zoals vuur en wind. Als vuur dansend, van mens tot mens. Als wind, even ongrijpbaar als data in de cloud. Niet gericht echter op bevestiging van wensen en smaak van de individuele consument, maar op wederzijdse herkenning, enthousiasme en begeestering.
Zo kan het ‘feest van de Geest’ je boven jezelf uittillen. Je bevrijden uit het spiegelpaleis van je digitale cocon. Ontvankelijk maken voor gedeelde ervaringen op zielsniveau. Daarmee is Pinksteren het feest van de wáárachtige verbinding, hoe sleets dat begrip inmiddels geworden ook mag zijn. Of van de communicatie, maar dan met een hoofdletter C. Kortom: Veni sancte spiritus, tui amoris ignem accende. Kom, heilige Geest, ontsteek het vuur van uw liefde! (Liedboek 681)
Roxanne van Iperen ‘Ik zie wat ik geloof’, Big Tech als architect van de nieuwe werkelijkheid, 2026.