19 mei 2016

Nederlanders zijn beter dan vluchtelingen #derrida

Geschreven door Jaap Marinus
Verdieping Foto: Sirio Grisanti Nederlanders zijn beter dan vluchtelingen #derrida

Stiekem hoop ik dat ik mijn mening over vluchtelingen bijstel vanavond. Zo denk ik dinsdagmiddag, voordat we met De Leven in Ede op bezoek gaan bij het Filosofisch Café. Ik  zie de stenengooiende Arabieren in Calais nog op mijn netvlies. Een beeld van voornamelijk arrogante en agressieve mannen uit het Midden-Oosten. Natuurlijk, ook de verscheurende beelden van het aangespoelde jongetje en wanhopige gezinnen krijg ik niet van mijn retina af. Sinds ik een dochter in huis heb rondkruipen ben ik gevoeliger geworden voor dat soort beelden. Maar huilende en wanhopige vluchtelingen, dat is ook maar één zijde van de medaille, denk ik dan. Genuanceerd? Welnee. Die kunst krijg ik niet echt in de vingers. Wel realistisch, denk ik.

En dan is het moment daar. Half negen. Een vol glas bier staat op het tafeltje, klaar voor een ‘praatje’ van filosoof Jan Flameling. Wie er weleens van de filosoof Jacques Derrida gehoord heeft? Dankzij de minor ‘Ken je klassieken’ op de CHE kan ik mijn hand in de lucht steken. Wat volgde was een korte samenvatting van het denken van Derrida over constructies die blootstaan aan destructie en reconstructie. Een dualistische wereld waarin wij de dingen hiërarchisch hebben gestructureerd. Bijvoorbeeld: geest is meer dan lichaam, verstand meer dan gevoel, actief meer dan passief, man meer dan vrouw. De vraag is of deze indeling goed is en Flameling betoogt dan ook dat het in ieder geval goed is bewust te zijn van deze waardering en daar op z’n minst kritisch naar te kijken.

Nederlanders zijn beter dan vluchtelingen

Maar de denktrant gaat nog even door: het zelf is meer dan de ander, ik is meer dan jij, het eigene is meer dan het vreemde. Eigen belang is meer dan wat de ander nodig heeft, economie is meer dan ethiek. Allemaal ordeningen die ter discussie mogen, of soms zelfs moeten worden gesteld. Kunnen we vluchtelingen buiten onze grenzen houden op basis van onze constructie dat het eigene boven het vreemde gaat? Dat ik beter is dan jij? Moeten we niet gastvrij zijn naar iedereen? Het pleidooi van atheïst Flameling ondersteunt hij met twee bijbelteksten:

“je brood breken met de hongerigen, en in je huis de arme zwervelingen ontvangen” – Jesaja 58:7

“… leg u toe op gastvrijheid …” – Romeinen 12:13

En als klap op de vuurpijl een citaat van filosoof Emmanuel Levinas uit De totaliteit en het Oneindige:

“Dit boek zal de subjectiviteit naar voren brengen als het ontvangen van de Ander, als gastvrijheid.”

Absolute gastvrijheid

Wat gastvrijheid dan is? Dat blijkt een lastige. Moeten we van de vreemdeling verlangen dat hij ons begrijpt en onze taal spreekt, voordat we hem bij ons kunnen en mogen verwelkomen? Is diegene dan nog wel een vreemdeling en is er dan nog wel sprake van gastvrijheid? We maken een onderscheid tussen absolute gastvrijheid en gastvrijheid als recht, plicht en ‘pact’. Een soort quid pro quo, is dat wel échte gastvrijheid?

“De absolute gastvrijheid eist van mij dat ik mijn thuis open stel en dat ik niet alleen de vreemdeling (in het bezit van een familienaam, een sociale status als vreemdeling, enz.) maar ook die absolute, onbekende, anonieme ander een plaats bied, dat ik hem binnenlaat en plaats voor hem maak zonder hem te vragen daar iets tegenover te stellen (een pact aan te gaan) of zelfs zijn naam te noemen.”

Kom allemaal maar binnen!

De vreemdeling moet vreemdeling blijven en zonder iets terug te verwachten moet ik hem opnemen in mijn huis, hem laten eten van mijn eten, hem laten slapen onder mijn dak en zich laten wassen in mijn badkamer? Mij niet gezien. Ik wil de vreemdeling (zowel allochtoon als autochtoon) die midden in de nacht bij mij aanbelt eerst veilig van achter de voordeur bevragen: waarom bel je aan? Wat kan ik voor je doen? Kun je niet beter de politie bellen? Zal ik de politie bellen? Maar dit is heel persoonlijk en individueel. Hoe zit dat met de overheid? Zou Nederland zonder vragen vreemdelingen moeten opnemen?

“De Wet van de gastvrijheid: de onvoorwaardelijke, bijzondere en tegelijkertijd universele Wet op grond waarvan de poorten geopend zouden moeten worden voor iedereen, voor elke ander, elke nieuwkomer, zonder vragen, zelfs zonder identificatie, wáár hij of zij ook vandaan komt en wie hij of zij ook is.”

Hiermee zouden we zeggen: kom allemaal maar binnen! Wie je ook bent, hoe je je ook gedraagt, je bent welkom. En dat gaat er bij mij niet in. Er moeten regels zijn. Er moeten grenzen worden gesteld. Waar ligt de oorzaak voor dit gevoel? Is een terughoudendheid naar vreemdelingen niet een biologisch gegeven met als doel zelfbescherming? De argwaan, of zelfs angst voor het onbekende, is een manier van zelfbehoud. De behoefte om de ander, op z’n minst een beetje, te leren kennen, is pure zelfbescherming.

Wat hebben we het toch goed he?

Uiteindelijk zitten we weer buiten. Met het groepje mensen van De Leven bij elkaar. We heffen het glas. Lachen om elkaar mening. Raken in discussie. Wat kunnen we in hemelsnaam doen? Vanaf het veilige terras, onder de heaters, hebben we makkelijk praten. We hadden deze avond ook soep kunnen koken voor vluchtelingen om de hoek. Waarom doen we dat niet? Omdat we onszelf belangrijker vinden dan de ander. Zou dat niet andersom moeten zijn? En waarom is dat zo verrekte moeilijk? Vragen die mijn hoofd nog niet uit zijn. Ben ik anders naar vluchtelingen gaan kijken? Misschien niet, maar ik, en met mij vele anderen die avond, zijn in ieder geval begonnen met nadenken.

Gerelateerd