21 januari 2016

Preek van de week: mijn God schiep eerst de dieren

Geschreven door Peter Nissen
Verdieping Foto: Jeremy Wheaton Preek van de week: mijn God schiep eerst de dieren

Alles begint met ontmoeting. Ik zie de ander en de ander ziet mij. Wij zijn dicht bij elkaar. Wij hebben aandacht voor elkaar. En ontmoeting kan het begin zijn van verbinding. Ik en de ander zijn en blijven betrokken op elkaar. Ik weet dat ik niet alleen ben. Ik ben deel van een groter geheel. Ik weet mij verbonden met andere mensen, met de mensenwereld, met de dieren, de planten, met alles om mij heen.

De mens heeft de ander nodig, zegt Benedictus

Laat ik beginnen met de levensbeschrijving van de monnik Benedictus, rond het jaar 600 opgetekend door paus Gregorius de Grote. Het vertelt dat Benedictus, die als kluizenaar ver van de bewoonde wereld woonde, in afzondering, zich pas realiseerde dat het Pasen was, het belangrijkste feest van het christelijk geloof, doordat er iemand bij hem op bezoek kwam. God had, zo vertelt het verhaal, een priester, die een feestmaaltijd voor zichzelf had klaargemaakt, naar hem toegestuurd.

Door de ontmoeting met die priester realiseerde Benedictus zich pas dat het die dag Pasen was, het feest van het overwinnende leven. En ze vierden het samen. Benedictus realiseerde zich dat mensen elkaar nodig hebben. Daarom stichtte de kluizenaar rond het jaar 500 een leefgemeenschap voor monniken, een gemeenschap van mensen die samen op zoek willen gaan naar wat het meest wezenlijke in het leven is. En voor die gemeenschap schreef hij een leefregel in 73 korte hoofdstukken. Volgens die leefregel hebben in de loop van vijftien eeuwen duizenden kloostergemeenschappen van vrouwen en mannen over de hele wereld geleefd, tot de dag van vandaag.

En daarom stichtte Frère Roger Taizé

In mijn middelbare schooltijd kwam ik met zo’n kloostergemeenschap in aanraking, en die ontmoeting heeft mijn leven veranderd. Zij zette mij op het spoor van een spiritualiteit waarin ontmoeting, aandacht en verbinding centraal staan. Daar kwam later nog de ontmoeting bij met de oecumenische monnikengemeenschap van Taizé in Frankrijk. Die is gesticht door een Zwitserse dominee, frère Roger Schutz, die zijn theologiestudie had afgesloten met een scriptie over Benedictus. Het was midden in de Tweede Wereldoorlog en Roger Schutz realiseerde zich dat Europa nieuwe plekken nodig had van ontmoeting, aandacht en verbinding.

Daarom stichtte hij dicht bij de ruïne van de oude abdij van Cluny een nieuw klooster, een huis waar mensen uit verschillende kerken en verschillende landen zouden samenwonen. Tot de dag van vandaag is Taizé een plek van ontmoeting, aandacht en verbinding, waar jaarlijks duizenden jonge mensen bij elkaar komen voor bezinning. De verbondenheid die ik voel met de spiritualiteit van Taizé wordt uitgedrukt in de witte kovel die ik draag als ik voorga in diensten, een gebedsmantel zoals de monniken van Taizé die dragen.

We zijn zussen en broers van de dieren

En dan is er het tweede scheppingsverhaal dat te vinden is in het eerste boek van de Hebreeuwse Bijbel, het boek Genesis. Het tweede scheppingsverhaal? Ja zeker, er staan in het begin van de Bijbel twee scheppingsverhalen na elkaar, en de volgorde waarin God de dingen schept is in die twee verhalen niet dezelfde. Reden genoeg dus om die verhalen niet al te letterlijk te nemen. Het zijn poëtische verbeeldingen van hoe de wereld tot stand is gekomen, uitingen van verwondering over het feit dat de dingen er zijn. Wie het bijbelse scheppingsverhaal wil uitspelen tegen de wetenschappelijke evolutieleer, heeft niet begrepen wat de Bijbel voor een soort boek is: in elk geval geen natuurwetenschappelijke handboek. In het eerste scheppingsverhaal (Genesis 1,1-2,4) schept God eerst de dieren en dan pas de mens en in het tweede (Genesis 2,5-25), waar wij vanmorgen een deel van hebben gelezen, schept Hij eerst de mens en dan pas de dieren.

Beide verhalen maken op hun eigen manier duidelijk dat mensen en dieren bij elkaar horen. Het eerste verhaal suggereert: zonder dieren geen mensen. Want mensen zijn ook dieren. De dieren zijn in de scheppingsorde de zussen en de broers van de mensen, en wel de oudere zussen en broers. De mens is een laatkomer. Daarom moeten mensen dieren ook met respect en liefde behandelen. Maar de mensen zijn wel bijzondere dieren. Dat maakt het tweede scheppingsverhaal duidelijk. Daar stelt God vast dat de mens alleen is, en dat is niet goed. Daarom boetseert God uit de aarde de dieren – ‘alle in het wild levende dieren en alle vogels’, hoe het met de vissen zit blijft in het midden – en brengt die bij de mens, om te zien hoe hij ze zal noemen. De mens is dus een bijzonder dier: hij kan nadenken over zichzelf en over de wereld, hij heeft zelfbewustzijn, en we weten niet of de andere dieren dat ook hebben. Maar hij heeft vooral ook verbeeldingskracht: hij kan dingen bedenken die er nog niet zijn, zoals namen voor de dieren.

Behandel alles en iedereen met aandacht en eerbied

Die verbeeldingskracht is misschien wel de mooiste eigenschap van de mens. We danken er de kunst aan, de poëzie, de wetenschap, de liefde, het geloof en de hoop. De mens kan zich een wereld voorstellen die er nog niet is, een wereld waarin mensen met zichzelf, met elkaar en met de dieren in vrede en harmonie leven. En hij kan zich een God voorstellen die de dieren en de mensen heeft geschapen en die van ons vraagt om respectvol met elkaar om te gaan. Een God die ons insisterende geweten is: laat deze wereld worden zoals die bedoeld is. De verbeeldingskracht geeft ons mensen het vermogen om betekenis aan ons leven te geven. Dat gebeurt door onze aandachtige omgang met de dingen. Aandacht is het woord dat in de spiritualiteit van Benedictus ontmoeting mogelijk maakt. Aandacht schept ontmoeting en aandacht houdt verbinding in stand. Zonder aandacht voor elkaar ontstaat er geen ontmoeting en zonder aandacht valt de verbinding weg en worden wij weer los zand.

Benedictus vraagt zijn monniken om aandacht te hebben voor elkaar en respectvol met elkaar om te gaan. Van de abt, de leider van de kloostergemeenschap, vraagt hij niet alleen oog te hebben voor de kampioenen in het geestelijk leven, maar juist ook voor degenen die maar moeizaam mee komen. En hij moet begripvol zijn. Hij kan beter bemind dan gevreesd worden. Ook vraagt hij de monniken om hun werk met aandacht te verrichten, of dat werk zich nu afspeelt in de tuin, in de keuken of in de studeerkamer. Maar ook met de dingen om je heen, zo zegt Benedictus, moet je aandachtig en respectvol omgaan. Hij vraagt zijn monniken om de potten en pannen in de keuken even eerbiedig te behandelen als de kelken en schalen in de kerk. Alles heeft recht op aandacht en respect: wees met je hart bij wat je doet.

Amen, zegt Franciscus

Die houding van aandacht en respect geldt ook voor de omgang met de dieren en met heel de levende natuur. Of de dieren er in de bijbelse beeldspraak nu eerder waren dan wij of niet, wij zijn deel van hetzelfde geheel. Wij zijn verbonden met elkaar. Wij zijn aangewezen op elkaar. Daarom verdient de natuur onze respectvolle aandacht, onze zorgzaamheid, onze terughoudendheid ook. Wij mogen haar niet kwetsen of verminken, haar niet uitbuiten en niet ruïneren. Dat heeft consequenties voor ons alledaagse leven: voor hoe wij omgaan met huisdieren, met de bio-industrie, voor hoe wij eten en consumeren. Wij mogen niet zomaar alles met dieren doen. De Bijbel geeft allerlei voorschriften voor het goed behandelen en het welzijn van dieren en verbiedt het doden of verwonden van dieren voor ons eigen plezier. Respectvol omgaan met dieren is voor de Bijbel onderdeel van het respectvol omgaan met heel de schepping. Want ook onze achterkleinkinderen hebben recht op een leefbare wereld.

Ja, wij hebben zorg te dragen dat ook volgende generaties op een leefbare planeet kunnen wonen. Paus Franciscus heeft afgelopen jaar in een rondzendbrief aandacht gevraagd voor duurzaamheid en voor respectvolle omgang met de wereld, ‘ons gemeenschappelijke huis’, zoals hij het noemt. De titel van zijn encycliek, Laudato si, is ontleend aan het Zonnelied van Franciscus van Assisi. Dat lied bezingt de samenhang in de schepping: aarde, zon en maan zijn onze broer en zus en ook de planten en de dieren. Ze verdienen respect en aandacht en daarom preekte Franciscus ook tot de dieren, de vogels en zelfs tot de bloemen. Dat deed hij vanuit een besef van verbondenheid met de natuur. Wij zijn gewend geraakt de natuur, de aarde, grondstoffen, planten en dieren te benaderen met de vraag of ze nuttig kunnen zijn voor ons. Maar die vraag kan funest zijn. Aan de vraag naar het nuttig zijn gaat de vraag naar het zijn zelf vooraf, zoals de paus in zijn encycliek schrijft. Het welzijn van dieren heeft prioriteit ten opzichte van hun nuttig zijn. En dat welzijn vraagt om ontmoeting, om aandachtige omgang, om besef van verbondenheid, zoals de spiritualiteit van Benedictus ons die kan leren. Ook als het om de dieren gaat. Want zij waren er al eerder dan wij. Zij zijn onze oudere broers en zussen. Want mijn God schiep eerst de dieren.

Moge het zo zijn.

Over Peter Nissen

Peter Nissen

Peter Nissen (1957) is hoogleraar Spiritualiteitsstudies aan de Radboud Universiteit te Nijmegen en predikant in de remonstrantse gemeente van Oosterbeek. Hij maakt deel uit van de Taakgroep Theologie van de Remonstranten en vertegenwoordigt de Remonstranten in de Raad van Kerken in Nederland.

Gerelateerd