Permanente strijd tegen de vergankelijkheid in het museum

Permanente strijd tegen de vergankelijkheid in het museum

Museum Catharijneconvent is het nationaal museum voor christelijke kunst, cultuur en geschiedenis in Utrecht, gevestigd in het voormalige klooster met diezelfde naam. Wat bewaar je en hoe doe je dat en met welke ogen kijken wij nu naar voorwerpen uit lang vervlogen tijden? Conservator Tanja Kootte weet er alles over.

Vergankelijkheid

Alle voorwerpen zijn gedoemd om uiteen te vallen, stelt Midas Dekkers in zijn boek De Vergankelijkheid. Volgens hem is er zelfs geen kruid tegen gewassen. Als conservator kan Tanja Kootte deze mening wel volgen. Volgens haar is het werk van een conservator een permanente strijd. Wat bewaar je en wat niet is een weerkerende vraag. ‘Je moet je realiseren dat de wereld achter het bewaarde voorbij is. Een object los van de context is vergankelijk. Eigenlijk ben je voortdurend bezig met restanten van een voorbije wereld. Je kunt die wereld alleen een klein beetje tot leven roepen. Elke tijd kleurt het verleden anders. Een conservator is een filter voor de voorwerpen die wel of niet bewaard worden en vervult daardoor een sleutelpositie. Daarnaast moet het bewaarde in goede conditie worden gehouden. Schilderijen zijn sterk van zichzelf en meestal goed geconserveerd en hersteld. Niettemin blijf je het liefst zoveel mogelijk van een voorwerp af. Je staat voortdurend op gespannen voet: wel of niet ingrijpen. Een Statenbijbel, die heel veel gebruikt is, is daardoor lelijk geworden aan de randen. Dat valt te restaureren door die randen weg te snijden, maar dan is de historische waarde wel gedaald.’

Rondleiding

Wanneer eenmaal is besloten iets te bewaren voor het nageslacht, begint de zorg erom. Hoe bewaar je iets? Zijn de klimaatomstandigheden optimaal. Hoe laat je de wereld achter het voorwerp zien? Wat doe je met schilderijen die op panelen zijn geschilderd en het paneel begint te werken? Om dit aanschouwelijk te maken en omdat ik nog nooit in het museum ben geweest, krijg ik een rondleiding. Weliswaar één van zeven-mijls-laarzen, zoals Tanja het noemt, maar daarna heb ik alle tijd om er nog eens rustig dwalend langs te gaan. We starten bij ‘Aanbidding der herders’ (1633) van Pieter de Grebber. Een olieverf op paneel. Wat opvalt is dat het paneel in het midden aan de bovenkant een soort bolling heeft en dat de randen wat sleetse plekken vertonen. De vraag voor de conservator is of je hier iets aan moet doen en zo ja, wat. De bezoekende leek vindt dit nu juist wel aardig en zou het laten voor wat het was. Want waarom zou iets dat eeuwen geleden gemaakt is, eruit moeten zien alsof het net gemaakt is?

We gaan door naar een andere zaal, waar de koorkap van Bonifatius is tentoongesteld. Hierbij was de vraag hoe exposeer je zoiets? Mag zo’n kap hangen? Het tentoonstellen gebeurt in nauw overleg met een restaurator. Het lichtniveau wordt sterk bewaakt. Vanaf nu besluit ik de conservator te volgen en slechts haar conservatorische vragen en opmerkingen bij een object te noteren om na de rondleiding alles nog eens te bekijken, waarvan onderstaand verslag.

Beatrijs van Assendelft

Na mijn afscheid van Tanja Kootte ga ik terug en wel naar het Breviarium van Beatrijs van Assendelft (1485). Ik was eerder attent gemaakt op de prachtige en heldere kleur van het bewaarde handschrift en had gehoord dat Middeleeuwse handschriften heel wat kunnen hebben. In die tijd gebruikte men dure materialen als perkament, dat in tegenstelling tot het in de 19e eeuw gebruikte papier niet afbrokkelt. Het is niet alleen de rijk versierde tekst en de in felle kleuren afgebeelde afbeelding erbij, die mijn nieuwsgierigheid nu wekken. Het is vooral het bijschrift, waardoor ik me een voorstelling van Beatrijs probeer te maken. Beatrijs zou een zwakke gezondheid hebben gehad. Daarom bedongen haar ouders bij haar intrede dat zij niet alle kloosterverplichtingen hoefde te vervullen en ’s nachts niet hoefde op te staan om te gaan bidden. In haar gebedenboek ontbreken dan ook de nachtgebeden. Mijn 21e eeuwse geest heeft medelijden met Beatrijs. Arm kind, zwakke gezondheid en dan in een klooster worden gestopt door je ouders. Thuis vind ik via internet dat haar ouders het klooster jaarlijks een vast geldbedrag schonken. En ergens anders wordt gesuggereerd dat Beatrijs wellicht een probleemkind was en daarom ondergebracht werd in het klooster…

Apostel Petrus

Het notenhouten beeldje van apostel Petrus lijkt tijdloos. Hij heeft een prachtige kop met haar, volle baard en een sprekend gezicht. Zou de vermoedelijke maker, Claux de Werve (ca. 1410 – 1420) als hij Petrus nu zou kunnen zien, zich nog herinneren hem te hebben gemaakt? Hij zou zich in ieder geval afvragen waarom Petrus alleen is en waar de andere beelden zijn gebleven. Niemand die het weet. Men vermoedt dat de apostel deel uitmaakte van een altaarstuk in de cisteriënzerabdij van het Franse Theuley. Bij de afbraak van de abdij in 1800 werd het altaarstuk ontmanteld en raakten de losse beelden verspreid. Petrus heeft sinds 2014 een plekje in het Catharijneconvent, waar hij de bezoeker met zijn eeuwenoude blik vriendelijk aankijkt.

Avondmaalsbekers

Deze bekers uit de Remonstrantse Kerk te Rotterdam  (Thomas van Son, 1635) hebben een bezoekje van de restaurator nodig om ze weer blinkend te krijgen, had het geoefende oog van de conservator eerder opgemerkt. Ik staar naar de bekers en vraag me af wie vroeger in Rotterdam poetste en hoe dat ging. Het lijkt mij een onmogelijke taak. Hoe krijg je het voor elkaar om de versieringen en de gegraveerde tekst – ‘De Drincbeker daer mede wy dancseggen is de gemeynscap des bloets Christi’ – niet hier en daar met een kloddertje poets te bedekken? En zou men zich daar toen iets van aangetrokken hebben?

Abraham des Amorie van der Hoeven

Het portret van deze 19e eeuwse predikant (1798 – 1855) kreeg mijn aandacht omdat mij verteld was dat hij remonstrant en hoogleraar aan het Remonstrants Seminarium in Amsterdam was. Uit pure deftigheid, iets wat veel predikanten uit die tijd wilden zijn, had Abraham de naam van zijn grootmoeder Des Amorie aan zijn familienaam geplakt. Ook wensten predikanten zich chiquer te kleden en staken zich daarom in toga. Zo is Des Amorie dan ook in 1855 net na zijn dood geschilderd door Jos Adam Kruseman. Hij staat er wat stijfjes bij in zijn zwarte toga met witte bef. En het lijkt warempel wel of er een onderscheiding is opgespeld. Zou de dominee echt zo op de kansel hebben gestaan?

De heksen van Bruegel

Deze expositie – tot eind januari 2016 – leert dat het beeld van de heks zoals wij nu hebben van Pieter Bruegel de Oude komt. Tot de 16e eeuw bestond er geen stereotiep heksenbeeld. Maar nadat Bruegel twee prenten met een heks op een bezemsteel in de nabijheid van een haard met heksenketel maakte, werd een heks voortaan zo uitgebeeld. In de loop van de tijd is het angstaanjagende van de heks er wel een beetje afgegaan, maar de bezemsteel blijft.

De wereld van de getoonde mensen en voorwerpen is onherroepelijk voorbij, maar omdat zij bewaard zijn gebleven, bieden ze de bezoeker een kijkje in hun wereld; een wereld gezien door hedendaagse ogen.

Tanja Kootte studeerde geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Leiden; zij deed een keuzevak kerkgeschiedenis en voltooide ook in Leiden de opleiding kunstgeschiedenis. In 1989 werd zij benoemd als conservator bij het Rijksmuseum Het Catharijneconvent. Sinds 1 april 2011 is zij aangesteld als J.G. van Oord Jzn. Conservator voor het Nederlands Protestantisme.

Joan van Esveld
Redactielid AdRem

 

 

Foto onderschrift:

Conservator Tanja Kootte met op de achtergrond ds. Des Amorie van der Hoeven

Zie ook