Foeke Knoppers met emeritaat

Foeke Knoppers met emeritaat

Afscheid van een oudgediende. Foeke Knoppers neem afscheid in Twente

 Afscheidsdienst
In oktober 1982 mocht ik als Haarlems buurcollega de dienst bijwonen waarin Foeke Knoppers door zijn vader als predikant bij de gemeente Alkmaar bevestigd werd. Er waren ongetwijfeld vaderlijke gevoelens in het spel die de bevestiger er toe brachten in zijn preek de gemeente op te roepen ‘de jongeling zachtkens te behandelen’(2 Samuël 18,9). In 1987 zou Foeke afscheid nemen van Alkmaar en inmiddels ook Hoorn, in 1996 van Den Haag, in 1996 van Apeldoorn en Deventer, in 2010 van Naarden-Bussum. En zondag 23 augustus j.l. was zijn laatste gemeente, Twente, aan de beurt om afscheid te nemen van deze zeer gewaardeerde voorganger. Dat hij bovendien ook nog vele jaren de Remonstranten diende als lid van de CoZa, Curator van het Seminarium en als secundus in de landelijke Raad van Kerken kan hier omwille van de ruimte alleen maar eervol vermeld worden.

Het Hengelose kerkgebouw kon nauwelijks de gemeenteleden, de vele cursusdeelnemers van buiten de gemeente, de collega’s en gasten uit vroegere gemeenten bevatten. Allemaal hadden ze eigen redenen om bij dit afscheid aanwezig te zijn. Zijn vroomheid en eruditie maakten hem  volgens Seminariumrector Tjaard Barnard, sprekend namens de CoZa, tot een bij uitstek remonstrants predikant. Spreker hoopte dan ook dat wij remonstranten nog tot in lengte van jaren mogen rekenen op zijn kritisch – constructieve bijdragen aan de ontwikkeling van onze geloofsgemeenschap. Dat hij daartoe bij uitstek gekwalificeerd is bleek ook later die middag op meer ludieke wijze in de vele schetsen en liederen van diverse kringen en werkgroepen uit de gemeente. Met enige ironie t.a.v. ‘mijn God’ uit de vriendenwerfcampagne, zong de PR-commissie ‘Mijn God lijkt wel op Foeke, geen wonder dat ik van hem houd. Laat ons van Foeke zingen, ons voorbeeld van PR. Voor cursussen en kringen, komt men van heinde en ver. Al hoor je hem nooit zeggen ‘geloof begint bij jou’, draagt hij geen hippe kleding; zijn toga blijft hij trouw. Laat ons Foeke bedanken. Elke doorwrochte preek is gratis veel reclame in heel de Twentse streek’. Ook de doopsgezinde gemeenten van Twente lieten zich niet onbetuigd met symbolische gaven van kaas en zelf geteelde en gebottelde wijn, iets wat vroegere dopers misschien wel tamelijk frivool gevonden zouden hebben.

Standvastige trouw
In haar dankwoord vertelde kerkenraadsvoorzitter Mw. Liesbeth Fockema Andreae, dat Foeke om een zo sober mogelijk afscheid in een gewone kerkdienst gevraagd had. Maar wat is gewoon? Gewoonheid lijkt in diskrediet geraakt in een tijd die roept om buitengewone prestaties en veel emotionele kicks. Maar Foeke heeft ons geleerd dat alleen standvastige trouw aan het gewone voedingsbodem kan zijn van het bijzondere. We hebben hem leren kennen als een zorgvuldig en respectvol pastor die mensen ruimte geeft om op een persoonlijke manier aan hun geloof gestalte te geven en tegelijkertijd aandacht vraagt voor het gezamenlijke en bindende element. Hij kan klippen omzeilen zonder bakzeil te halen, hij kan middelpunt zijn zonder zichzelf op de voorgrond te plaatsen. Hij is bevlogen en betrokken, maar dankzij zijn  gevoel voor humor kan hij ook goed relativeren. Eén klein kritiekpuntje had de voorzitter tenslotte toch wel: ‘je bent iets te bescheiden, je bent veel te bescheiden’. Na een lange theepauze in en rond een grote tent op het kerkplein, waarin velen onze vertrekkende predikant een hartelijk adieu wensten, volgde er ondanks alle weemoed paradoxaal genoeg een warm en meer dan vrolijk informeel afscheidsprogramma waaraan nagenoeg alle groepen uit de gemeente een kort-en-krachtige bijdrage leverden. Of de jongeling van 1982 altijd zachtkens behandeld is onttrekt zich aan onze waarneming. Maar achteraf begrijpen we de vader wel. Want Foeke Knoppers is een gevoelig mens. Zelfs als tijdens een vergadering argumenten de spuigaten uitliepen, greep hij zelden in. Want hij was vooral bezorgd om anderen in hun waarde te laten.

Henk van Waveren
Em. remonstrants predikant in gemeente Twente  

 

Doodgewone dienaars. Een brief aan Foeke

Dag Foeke,

Mij is gevraagd een bijdrage te schrijven in deze Brieven aan Foeke. Ik doe dat in vriendschap, met plezier en overtuiging, maar ook een tikje beschroomd. Want ik weet hoeveel je herkent in de Jezuswoorden van Lucas 17, die ik aanhaal in de Naardense vertaling:

wanneer ge doet al wat u wordt opgedragen, zegt dan: wij zijn doodgewone dienaars , wat we moesten doen hebben we gedaan!

Er is nog een reden om me met het schrijven van deze brief verlegen te voelen.  Ze blijft niet persoonlijk en in de privésfeer, maar wordt zwart op wit gedrukt en naar buiten gebracht. Dat voelt vreemd – al heb ik het meeste van wat volgt al eens in een meer persoonlijke context tegen je gezegd.

Beschikbaar
Douloi achreioi
, onbruikbare slaven, onnutte dienstknechten, doodgewone dienaars. De weergave wordt steeds gewoner, steeds minder pijnlijk. Of dat terecht is? Dat hangt van de lezer af. Rekent hij zich tot de rechthebbende meesters of beschouwt hij zich als een waardeloos instrument? Nutteloos zijn de slaven in deze gelijkenis allerminst – in ieder geval minder dan hun heren en opdrachtgevers het zijn. Waar het om gaat, is dat ze geen reden hebben zich ergens op voor te staan en dat niemand verplicht is hun dank toe te zwaaien. Nee, verplicht is dat beslist niet, zoals het geval is bij alle dingen die er echt toe doen. Des te onontkoombaarder is het om die dank voor een keer expliciet te maken.

Het onnut zijn in die zojuist gepreciseerde betekenis is een tweede natuur van je geworden.  Jij bent je daarvan niet eens zo bewust. Maar toen ik je pas had leren kennen, trof me dat je nooit anders dan jezelf excuserend binnen kwam: omdat je te laat was, of te vroeg, of om welke reden dan ook. Door je beter te leren kennen ontdekte ik dat die gewoonte een oppervlakkig teken was van iets dat diep in je geworteld is, een onbaatzuchtigheid, of beter: een beschikbaarheid die jou eigen is. Dat een ander uitmuntender is dan je het zelf bent, het lijkt wel of het je geen moeite kost dat te beamen. Afgunst is je vreemd – wat je tot een bijna exotisch wezen maakt. Je wilt dit vast niet horen; laat maar, het komt voor mijn eigen rekening. Eens maakte je diepe indruk op me door de slotpagina van Vestdijks Terug tot Ina Damman uit het blote hoofd te reciteren, dus ook die grootse regel waarin Anton Wachters voeten, knarsend op het kiezel, voor hem lijken te beslissen ‘hoe onwankelbaar trouw hij blijven zou aan iets dat hij verloren had, – aan iets dat hij nooit had bezeten.’

Dat brengt me op iets anders: de ontdekking in jou – een echte ontdekking, want voor wie jou oppervlakkig kent ligt dat niet voor de hand – van iemand met een sterke voorkeur voor illusieloze, scherp analyserende auteurs. We herkenden elkaar in de voorkeur voor harde psychologen van het type Vestdijk en Grunberg, veel meer dan voor religieus en moreel correcte, idealiserende verhalen van schrijvers met een boodschap.

Humor
Die parabel van de doodgewone dienaren kenmerkt zich door een grimmig soort humor. Want het zijn de heren die hier toegesproken worden. Zij verwachten toch met recht en reden van hun slaven dat die zonder iets voor zichzelf op te eisen hun plicht doen? De parabel keert die logica van de gewoonte om en houdt de toegesprokenen een spiegel voor. Kijk naar jezelf met de blik van een vreemde en denk je in die onnutte dienstknechten in. Een grappige denkoefening is dat, die jouw eigen dierbare identiteit, die van een geboren heer, zwevend maakt. Ik ben er vrij zeker van dat als jij over deze tekst zou preken – wat je vast al eens gedaan hebt – de humor van deze gelijkenis naar voren zou komen. Want als iets jouzelf en je levenshouding typeert, dan is dat het wel: humor. Je schreef erover, evenals over verwante thema’s als het spel, de verrassing en het denken en spreken in termen van ‘alsof’. De humor maakt dat iedereen, jezelf incluis, op een afstand wordt gehouden en onbeslist wordt verklaard. Er is altijd een andere manier om ernaar te kijken en erover te denken. Humor houdt zich verre van waarheidsclaims en verbeten gevechten rondom het vermeende eigen gelijk. Hij verzoent schijnbaar onverenigbare uitersten niet door ze op te heffen, maar door ze samen te belichten ‘als door een onverwachte flits die snel voorbijgaat’, zoals Dresden schreef.

Doodgewoon in het kwadraat
Ik houd het hierbij, Foeke. Nog één ding. ‘Wat we moesten doen, hebben we gedaan’, zeggen die doodgewone dienaren in Lucas 17. In jouw geval is dat een understatement. Je hebt meer gedaan, veel meer dan je moest doen. Dat onder meer verklaart de grote resultaten die jouw werk heeft laten zien. Je was er niet op uit en je laat je er nooit op voorstaan. Maar je hebt velen, zeer velen gesteund door wie je bent en door wat je gezegd en gedaan hebt. In een tijd die kerken tot musea verklaart heb je daardoor, tegen de beweerde feiten in, een reeks van gemeenten gevitaliseerd. Aan duur betaalde enquêtes, rapporten en campagnes had je daarbij, voor zover ik het bekijken kan, geen behoefte. Maar wat ik eigenlijk bedoel te zeggen is dat je daardoor, in weerwil van wat jezelf voelt en denkt, heel wat minder doodgewoon bent dan die gelijkenis ons voorhoudt. Of dat je doodgewoon bent in het kwadraat, een servus servorum (slaaf der slaven) zoals de paus van Rome betiteld wordt. Ik laat dat maar open.

En om in katholieke sferen te blijven: ik schreef je dit vanuit Zuid-Frankrijk, op 15 augustus 2015, op het feest van Maria Hemelvaart – een typisch geval van tot hoger orde bevorderde doodgewoonheid. Een hartelijke groet van een vriend en bewonderende collega,

Johan Goud
Em. remonstrants predikant

 

Zie ook