Het gezicht van Ton de Jong

Het gezicht van Ton de Jong

Het valt ook niet mee voor Rotterdammers in het katholieke Nijmegen!  Ton de Jong (1927) vertelt dat ze na de verhuizing in 1965 wel eens terug gingen naar Rotterdam op familiebezoek. ‘Als we op de terugweg de Moerdijkbrug over reden, dan had ik het gevoel weer in missiegebied te zijn aanbeland’, zegt hij. En zijn vrouw doet er nog een schepje bovenop:  ‘Die bomen die je in de verte ziet zijn prachtig natuurlijk, maar ze praten echt niet terug hoor!’  Afijn, het leed is allang geleden, ondertussen zijn ze prima gewend.

Oorlogskind

‘Ik kom uit een remonstrants nest, een overgrootvader,  mijn grootmoeder en mijn moeder waren remonstrant. Van jongs af aan ben ik meegegaan. Als jongvolwassene deed ik niet veel aan de kerk, maar vanaf 23, 24 jaar heb ik de draad weer opgepakt. Mijn huidige vrouw ontmoette op de middelbare meisjesschool een lerares godsdienst en dat bleek de remonstrantse dominee, Hanneke Meyer te zijn. Bij haar werd catechisatie gedaan, en tenslotte heeft zij ons in 1954 ook getrouwd.

Na de mulo heb ik een technische opleiding gevolgd die vergelijkbaar is met de huidige HTS. Ik ging aan het werk in de industrie als elektrotechnicus, maar moest eerst nog in dienst. Dat heb ik geweigerd. Als jongeling had ik het bombardement op Rotterdam, de bezetting, de razzia, de hongerwinter en de atoomboom op Hiroshima meegemaakt.  Daarom verzette ik mij tegen overheidsgeweld.  In die tijd werd je als dienstweigeraar in  een kamp geplaatst, voor het verrichten van plaatsvervangende burgerdienst, in mijn geval heide ontginnen. Het kamp bleek een goede bibliotheek te hebben. Tot mijn vreugde trof ik er  het boek aan ‘De zondeval van het christendom’, van de oude Heering. Zijn pleidooi voor geweldloosheid was een belangrijke ideologische onderbouwing van mijn keuze.

Na mijn diensttijd ging ik weer naar de techniek, maar ik ambieerde meer dan  alleen uitvoerend bezig te zijn.  In mijn vrije tijd ben ik economie gaan studeren in Rotterdam.  Na omzwervingen in Delft en Dordrecht verhuisden we in 1965 uiteindelijk naar Nijmegen. In de draadfabriek van de firma Smit heb ik een verkoopafdeling opgezet, werd hoofd verkoop en uiteindelijk manager van de fabriek, tot 1982. Dat was het mooiste deel van m´n loopbaan.  Daarna had ik interim-banen en tegen mijn pensioen in 1992 ben ik voor de stichting PUM een paar keer uitgezonden naar Pakistan, Wit-Rusland en Turkije, heel boeiend.’

Penningen

‘Al die jaren waren we ook actief betrokken bij de remonstrantse kerk in Nijmegen. Van 1966 tot in de jaren ‘80 was ik er penningmeester. Vanaf ‘90 hielp ik mee de samenwerking tussen doopsgezinden en remonstranten tot stand te brengen.

Er bestonden toen net tekstverwerkers, ik heb alle contract-varianten voor de samenwerking op die machines geschreven. Van 1990 –  2002 was ik opnieuw penningmeester, van twee boekhoudingen, een nieuwe van de samenwerking, en de re-gemeente.  Met spread sheets.  Een leuke tijd samen met de toenmalige voorzitter Nelleke Viëtor. In de predikantloze tijdperken die wij hebben gehad, heb ik meegedaan in kringen om ons geloofsleven aan de gang te houden.  En tijdens het voorzitterschap van Lideke in ’t Veld (1979-1985)  heb ik drie jaar in de CoZa gezeten.’

Vermoeden

‘Remo zijn is een stuk van mijn leven, ik probeer een glimp op te vangen van wat God met ons en de wereld wil.  Dat valt nog niet mee, Hij laat ons vaak in de kou staan. Het blijft bij een vermoeden. In het stil gebed in de kerk vraag ik soms of Hij wat van zich wil laten merken. God zoek ik dan ook minder in het evangelie dan in de kieskeurigheid  van de remonstrantse theologie. Op zakenreis had ik altijd recente  remonstrantse publicaties in de koffer.’

Michel Peters

Zie ook