Inspiratie: Licht schijnt in de duisternis
Foto Oliver Dodd

Inspiratie: Licht schijnt in de duisternis

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat.  In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen; Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen. (Joh 1: 1-5)

Als ’s avonds de afwas gedaan is en de keuken is opgeruimd, is het tijd voor een kop thee en rust. Meestal zit ik op het balkon. In de zomer kijk ik uit op de molens van Kinderdijk en zijn er wat hardlopers en mensen die hun hond uitlaten. In oktober begint het te schemeren rond die tijd, en nu de klok is verzet is het donker. Ik zie geen molens meer, geen mensen. Het is rustig en stil, vredig haast. Als ik nu kijk, zie ik in de verte de lantaarnpalen van het fietspad langs de rivier de Lek. Overdag vallen die niet op, maar in het donker trekken ze mijn aandacht. Licht in de duisternis.

Heel wat minder verheven natuurlijk dan de woorden van Johannes, maar juist heel dichtbij, in mijn eigen leven, op mijn eigen avonden.

De openingswoorden van Johannes hebben me altijd geraakt, me in hun ban gekregen. Vooral het vijfde vers, dat ik liever in de vertaling uit 1951 lees: Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen.

Ik vind het moeilijk om het gevoel te beschrijven dat deze verzen bij me oproepen. Het is een mengeling van fascinatie, verlangen, hoop en schoonheid. Een kosmische strijd tussen de duisternis en het licht dat zich in dat domein waagt en van alle kanten bedreigd wordt, maar niet wordt overwonnen. Dit beeld en de gevoelens die het oproept betoveren me en houden me vast. Ik voel een afstand tussen dit kosmische gebeuren en mijn eigen leven, maar tegelijkertijd staat het heel dicht bij me, is dit beeld in me gaan wonen en wil ik niet meer zonder.

Gedragen door het licht

Op Eerste Kerstdag klinken de woorden van Johannes in veel kerkdiensten en wordt er in de overweging op ingegaan. Door het jaar heen worden deze verzen in veel gemeentes gelezen bij het aansteken van de Paaskaars aan het begin van de dienst. Het licht van de Paaskaars herinnert ons vooral aan Pasen, aan het nieuwe begin dat door de dood heen brak. Maar daarnaast voedt het ook ons, nu, iedere zondag opnieuw. We mogen ons gedragen weten door dit licht. Dit licht dat ons ervan mag overtuigen dat er uitzicht is in situaties waarin haast geen leven mogelijk lijkt. Perspectief op een nieuw begin, nieuwe kansen terwijl je ronddoolt in het duister. Het duister heeft het licht niet gegrepen, en dat zal ook niet gebeuren, straalt de Paaskaars uit. Sterker nog: het licht heeft meer in zijn mars dan licht geven; het geeft ook leven.

Warmte en leven

Als ik op een frisse dag de zon voel op mijn huid, zie ik niet alleen het licht, maar voel ik ook de warmte, en er gebeurt meer: ik voel dat ik leef. Dat breidt de invloedsfeer van licht alweer verder uit: Naast licht en leven, past warmte er ook bij. En als ik verder denk bij het woord licht, kom ik op nog heel veel meer dingen die daarmee verbonden zijn zoals inzicht, opheldering en allerlei woorden die met licht te maken hebben. Het web dat je kunt spinnen rond het begrip licht is haast eindeloos. En aan de filosofische vragen die ermee samenhangen zal ook geen einde komen: Komt het licht naar ons toe, of zijn wij op weg naar het licht? Is iedereen op weg naar het licht? Met andere woorden: is iedereen in beweging, of zijn er ook mensen die hun plek in het donker niet verlaten? Willen ze die niet verlaten, of zouden ze die wel willen verlaten, maar lukt dat niet? Wat houdt ze dan tegen? En: hebben wij daarin een taak? Om naar hen om te zien, bij hen neer te zitten in het donker? Kunnen wij licht bij hén brengen? Dus: is het licht er om naartoe te gaan, of om zelf te verspreiden en naar anderen toe te brengen? En hoe zouden we dat kunnen doen?

Gaat het goed komen?

In de kersttijd vieren we dat het licht in de wereld is gekomen. We zingen over Zonne der gerechtigheid, vrede op aarde, we eren God, we zingen ‘Nu zijt wellekome’ en ‘Komt allen tezamen’, wensen elkaar gezegende kerstdagen, en vieren de hoop die met Jezus in de wereld kwam. Maar soms blijft er ook nog iets knagen: Staan we er nu 2000 jaar later beter voor dan toen? Is die vrede op aarde dichterbij gekomen? Straalt het licht nog wel net zo krachtig als toen? Werken we er wel hard genoeg aan om ruimte te maken voor het licht? Zitten we voldoende neer bij degenen wiens leven zich in het donker voltrekt? Kortom: We vieren nu wel kerstmis, maar gaat het ooit echt helemaal goed komen?

Gelukkig bent u niet de enige die zich deze vragen stelt. Ook in de eeuwen voor ons klonken deze vragen. En ze zullen in ieder tijdsgewricht opnieuw klinken en opnieuw vragen om een doordenking, en om het zoeken naar een levenswijze die recht doet aan zowel deze vragen, als het vertrouwen dat het licht niet alleen niet gegrepen zal worden, maar  uiteindelijk het duister zal overwinnen.

Verwachting in soorten

In de adventsweken leven we naar het kerstfeest toe. Marius van Leeuwen beschrijft in Van feest naar feest (p. 141v.) hoe in de advents- en kerstperiode twee verschillende verwachtingen van Christus als ‘de Komende’ een rol spelen, in elkaar grijpen en hoe de ene de andere versterkt. Aan de ene kant is daar een verwachting die spoedig vervuld zal worden: Straks, met kerst vieren we dat degene die we verwachten, ook inderdaad gekomen is. Daarnaast staat de verwachting van Christus’ komst nog open: door de eeuwen heen hebben christenen uitgezien naar de komst van Christus als ‘wederkomst’ aan het eind der tijden, en naar het daarmee voorgoed aanbreken van het Messiaanse rijk. De nabije verwachting ‘straks is het kerst en vieren we dat Christus is gekomen’ versterkt de verre verwachting: Hoeveel te meer mag je dan geloven dat Christus eens zal komen en voorgoed het Messiaanse rijk zal vestigen?

Zo zou je het ook met het licht kunnen zien: Het licht is in de wereld gekomen, en het duister heeft het niet gegrepen. Dat was aan het begin, toen het Woord nog bij God was. En straks, aan het einde, komt er een stad waar de zon niet meer nodig is (Openb 21:23). En nu, in de tussentijd mogen wij vieren dat het licht in de wereld gekomen is, en alvast vooruitgrijpen naar die tijd die komen gaat. Zo mogen we kerst vieren, met de woorden van Johannes over het begin en de woorden uit openbaringen voor ons uit. En daartussenin zingen we in de kerk, bij de kerstboom of gewoon op het balkon:

Tot U, Heer, is ons hart gericht,

Hier zijn wij, open voor uw licht,

Gij geeft ons kracht tot stilt’ en strijd,

Kom tot ons, Eeuw’ge, in de tijd.

 

Anniek Lenselink
Remonstrants predikant

 

 

Zie ook