Lichtproblemen
Foto Bert Remmerswaal

Lichtproblemen

Mijn allereerste associatie bij ‘lichtpuntjes’, toen dat woord viel in de redactie, was een liedje van vroeger. Wij zongen het thuis, in de kerk, op school: er was geen ontkomen aan. ‘Jezus zegt dat hij hier van ons verwacht dat wij zijn als kaarsjes brandend in de nacht’. En als je kaars uit was, had je een probleem, want dat verhaal over wijze en dwaze maagden hoorde daar bij. Die zaten te wachten op de bruidegom, weliswaar niet met kaarsen, maar met olielampen, een onbelangrijk verschil. Het ging om dat lichtje. Dat moest je altijd  brandend houden. Je moest de reserve kaarsen niet vergeten enzo. Ik heb later wel eens een betere uitleg gehoord van deze gelijkenis.

Het liedje riep ons op om tot eer van Jezus te schijnen met je lichtje; ieder in z’n eigen hoek. Op school vond ik dat altijd een wonderlijke regel, want de hoek was voor stoute kinderen. Thuis moest je er al helemaal niet aan beginnen, want wij mochten niet met lucifers spelen. En in de kerk brandde niemand ooit een kaars. Ga er maar aanstaan met je kaarslicht.

Toen ik daar voorzichtig naar informeerde, zei een juffrouw dat ik moest zijn ‘als een kaars’. Het liedje ging niet over echte kaarsen.  Nu hield ik erg van toneel spelen, dus ik kon mij wel iets voorstellen bij het spelen van de rol van kaars. Wij deden op school geregeld bomen en ik herinner mij ook nog sneeuwklokjes, wind, bladeren, een complete dierentuin en vele beroepen. Dus oefende ik geregeld mijn kaars-rol geholpen door een Pinksterplaatje uit de kinderbijbel thuis waar allerlei mensen op stonden met een vlam boven hun hoofd. Ik hoopte maar dat Jezus mij er een voldoende voor zou geven. Het tweede couplet was wat dat betreft hoopgevend; daarin zongen we dat Jezus ook de niet al te briljante lichtjes wel zag. In het derde couplet was ik weer thuis, want dat ging over zonde en droefenis. Mijn moeder vond heel veel dingen ‘zonde’: van eten weggooien tot verspilling van papier, plastic en andere zaken die je thuis of elders opnieuw kon gebruiken. En er was veel droefheid in de wereld. Daarom stond er een busje op tafel waar elke dag geld in ging om iets aan al die droefheid te doen.

Ik kan mij niet herinneren of ik ooit de relatie heb gelegd tussen mijn rol als kaars, de zorg voor de wereld die mijn moeder aan de dag legde en het busje op tafel waar mijn vader over ging. Hoe dan ook: met terugwerkende kracht zie ik de lichtpuntjes en de echte kaarsen die tot mijn grote tevredenheid thuis met Kerst ineens wel mochten worden gebrand.

 

Ineke Ludikhuize

 

Zie ook