Erasmus en Luther: hervorming vraagt om uit-de-pas-lopers

Erasmus en Luther: hervorming vraagt om uit-de-pas-lopers

Wie braaf in de pas blijven lopen, schrijven zelden geschiedenis. Erasmus van Rotterdam en Maarten Luther liepen uit de pas. Daarom worden hun namen nog steeds genoemd.

Zij zijn ook voor de remonstrantse traditie van grote betekenis. De wortels van het ‘rekkelijke’ christendom, waarin vrijheid en verdraagzaamheid sleutelbegrippen zijn, liggen in het religieuze veelstromenland dat Nederland was vóór de opmars van het calvinisme in de jaren zestig van de zestiende eeuw. ‘Wij waren er eerder dan gij’, zo verdedigde de theoloog Johannes Uytenbogaert, een van de oprichters van de Remonstrantse Broederschap, zijn pleidooi voor de rekkelijke interpretatie tegenover de strikte calvinisten. In dat ‘eerder’ speelden Erasmus en Luther een grote rol.

Afgelopen jaar was er veel aandacht voor Erasmus. In Gouda en in Bazel werden tentoonstellingen aan hem gewijd. De aanleiding daartoe was het feit dat het vijfhonderd jaar geleden was dat Erasmus bij de Bazelse drukker Johannes Froben de eerste kritische editie van de Griekse tekst van het Nieuwe Testament liet verschijnen, voorzien van een eigen Latijnse vertaling: Novum Instrumentum. Het eerste – de editie van de Griekse tekst – paste bij het ideaal van het humanisme: terug naar de bronnen, ad fontes. Erasmus heeft een groot deel van zijn leven besteed aan het verzorgen van betrouwbare edities van teksten uit de eerste eeuwen van het christendom. Hij hoopte dat de terugkeer naar de bronnen zou leiden tot een vernieuwing van kerk en samenleving: hervorming door herbronning.

Bijbel als dynamiet

Maar het meeste liep Erasmus toch wel uit de pas met zijn eigen Latijnse vertaling. De kerk van Rome beschouwde immers de Latijnse vertaling die Hieronymus rond 400 van de Bijbel had gemaakt, de Vulgaat, als de normatieve versie van de Schrift. Die moest gelezen worden in de liturgie, die moest het uitgangspunt vormen voor vertalingen in de volkstaal, die moest door de theologen gebruikt worden. En nu durfde Erasmus te beweren dat in die vertaling fouten zaten en pretendeerde hij het beter te kunnen. Voor de tijdgenoten van Erasmus is de publicatie van zijn eigen Latijnse vertaling waarschijnlijk veel schokkender geweest dan die van de Griekse oertekst van het Nieuwe Testament. ‘Schrift als Sprengstoff’, zo heette de Erasmus-tentoonstelling die afgelopen jaar in het Museum für Geschichte in Bazel te zien was: de Bijbel als dynamiet. Dat moeten Erasmus en zijn tijdgenoten inderdaad zo hebben ervaren. De rooms-katholieke kerk reageerde al snel door de controle op alle bijbeluitgaven en vertalingen te versterken. Tijdens het Concilie van Trente werd in 1546 opnieuw bevestigd dat de Vulgaat voor katholieken de normatieve tekst van de Bijbel was. Correcties mochten daarin alleen nog met pauselijke toestemming worden aangebracht. Dat bleef zo tot het midden van de twintigste eeuw. De katholieke bijbelwetenschap werd er voor eeuwen mee op achterstand gezet.

Katholieke uitwassen aan de kaak gesteld

Het gezag van de hiërarchie en van de institutie had het gewonnen van het gezag van het kritische onderzoek en de wetenschap. Maar voor Erasmus bleef dat laatste leidend. En daardoor werkten wel meer geschriften van zijn hand als springstof. Wat te denken van zijn meest bekende geschrift: de Lof der Zotheid, geschreven in 1509 en voor het eerst gedrukt in 1517? Met de zotheid als woordvoerster rekende Erasmus in dat anonieme geschrift af met allerlei kerkelijke toestanden: met de overdreven heiligenverering en het wondergeloof, met de bedelpraktijken en de ongeschooldheid van veel monniken, met de uiterlijkheid en oppervlakkigheid van het volksgeloof (‘zij kussen liever de oude schoenen en vuile zakdoeken van de heiligen dan hun boeken te lezen’), met de machtswellust en zucht naar rijkdom van hoge prelaten, met de wereldvreemde spitsvondigheden van de schooltheologen van zijn tijd en met de handel in aflaten.

Vijf eeuwen Reformatie

Met de aflatenhandel rekende Erasmus dus al af jaren vóór de Duitse augustijner monnik Maarten Luther in 1517 zijn 95 stellingen tegen de aflaat publiceerde. De publicatie van die stellingen vormt dit jaar de aanleiding tot de herdenking van vijfhonderd jaar Reformatie. Een hardnekkige traditie vertelt dat Luther die stellingen op 31 oktober 1517 zou hebben aangeslagen aan de deur van de slotkapel van Wittenberg, de stad waar hij in het klooster van de augustijner eremieten woonde en waar hij theologie doceerde aan de jonge universiteit. Daarom wordt die dag, 31 oktober, sinds 1817 als Hervormingsdag gevierd. Maar het verhaal over het aanslaan van de stellingen is pas in de wereld gebracht na de dood van Luther en door iemand die er zelf niet bij geweest kan zijn. Het heeft waarschijnlijk nooit plaatsgevonden. Wel stuurde Luther op 31 oktober van dat jaar zijn stellingen naar een aantal mensen, onder wie de bisschop die in Duitsland verantwoordelijk was voor de aflatenhandel, aartsbisschop Albrecht van Brandenburg. En Luther deed nog wel meer in 1517 waardoor het gerechtvaardigd is in 2017 vijf eeuwen Reformatie te gedenken. Zo nam hij in september van dat jaar in een disputatie openlijk afstand van de scholastieke theologie van zijn tijd, die volgens hem volstrekt vervreemd was zowel van de bijbel als van de geloofspraktijk van gewone mensen. Hij wilde terugkeren naar een theologie die vertrekt vanuit de Bijbel en die de vroomheid van de mensen bevordert.

Ketters

Daarmee maakte Luther zich tot tolk van een ongenoegen dat in bredere kring leefde. Hij deed dat met zulk een vaardige pen en ook zo consequent, dat zijn protest een beweging in gang zette die niet meer te stuiten was: de Reformatie. Net als Erasmus liep ook Luther uit de pas. Erasmus werd pas na zijn dood door het Concilie van Trente als ketter weggezet, Luther werd al bij leven door de kerk van Rome uitgestoten. Terwijl hij door de paus met de ban werd bedreigd, schreef hij in 1520 zijn geschriftje Over de vrijheid van een christenmens, dat de inspiratiebron vormt voor het remonstrantse jaarthema ‘Pleidooi voor vrijheid’. Dit en andere geschriften van Luther vonden al snel verspreiding in de Nederlanden. Nergens buiten Duitsland vonden Luthers geschriften zoveel aftrek als hier. In de lente van 1518 waren ze al in Antwerpen te koop. Tussen 1520 en 1540 verschenen er veertig Nederlandse vertalingen van werk van Luther. Zij hebben mede het klimaat bepaald waarin het rekkelijke christendom tot stand kwam dat rond 1600 door de Remonstranten verdedigd zou worden.

Peter Nissen
Hoogleraar Spiritualiteitsstudies aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en remonstrants predikant in Oosterbeek

Zie ook