Overspannen
Foto: Hipwee.com

Overspannen

Voorjaar 2003. De Paasweek gaf de genadeklap. Ik voelde me al een tijdje niet best. Aanhoudend moe. Ik werkte op dat moment in drie gemeenten verspreid over het land. In Driebergen, waar met de instroom van een stel nieuwe gezinnen veel nieuw elan was, en veel werk te doen. In Delft, waar ik leiding gaf aan een revitaliseringsproject. En in Hoorn, waar ik de tweede predikant was. Vaak was ik pas na middernacht thuis. ’s Ochtends in de trein viel ik geregeld meteen na vertrek in slaap en haalde zo wat slaaptekort in – maar was in de middag al weer uitgeput. Voeg daarbij: een gezin dat ook geen oase van rust was, een puberdochter van 14 en twee jongens van 10 en 7.

Het duurde lang, maar ten slotte had ik zelf ook door dat het niet goed ging. Vergaderingen waar ik bij zat met een sterk gevoel van ‘ik wil hier weg’. Huisbezoeken waar ik me niet meer kon concentreren op wat er gezegd werd; aan het eind van een bezoekmiddag een barstende hoofdpijn. Diensten en kringen gewoon kunnen doen, maar na afloop een leeg gevoel. Ik dacht wel: het is te druk, maar meende dat alles onder controle was. Even doorbijten, straks wel uitrusten. Achteraf gezien ging het mis toen er opeens in de familiesfeer spannende dingen gebeurden, ingrijpend en emotioneel. Vreemd … ik voelde er niets bij. Ik kon het er gewoon niet bij hebben. Ik zweefde er zo’n beetje langs.

Wekenlang op de bank gelegen

Die Paasweek – met de hele reeks diensten op alle dagen – duwde me over de rand. Tegen het eind van de week werd ik steeds waziger. Op Goede Vrijdag liet iemand de fles avondmaalswijn stukvallen, voor de dienst. Ik reageerde niet. Voor Pasen had ik met veel moeite een preek gemaakt. Maar ik blokkeerde. Ik kon de tekst die ik had uitgeprint had niet meer lezen. De regels wilden maar niet scherp worden. Ik kon letterlijk niet meer focussen. Ik ben wel gekomen – er werd een kind gedoopt – maar de voorzitter heeft mijn preek voorgelezen. En mij vervolgens naar huis gestuurd met de boodschap dat er iets goed mis was. Wat ik zelf op dat moment enerzijds erkende, anderzijds niet echt accepteerde. Het zou wel snel weer overgaan.

Niet dus. Ik kwam na een weekje bijkomen eerst nog terug. Ik zou minderen, een tijdje kalmer aan doen. Een selectie maken van wat meer ontspannen dingen. Zoals het kampeerweekend met de jeugd dat ik georganiseerd had. Toen ik een paar keer ’s nachts wakker werd met paniek alleen al bij de gedachte aan dat weekend, heb ik dat ook geschrapt.

De algemeen secretaris Mijnke Bosman had heel goed door hoe het ervoor stond en zei dat ik echt moest stoppen. Toen ik dat eindelijk had toegegeven, heb ik wekenlang alleen maar op de bank gelegen. Het was een warm voorjaar, dus buiten in de zon, als zodanig niet onprettig zou je zeggen, maar die wazigheid, dat roezige bleef. Altijd uiterst doenerig en behoorlijk zelfverzekerd, voelde ik me nu onrustig, kwetsbaar, angstig ook wel: zou dit weer overgaan? Me ergens op concentreren ging niet meer, zelfs niet op iets kleins. Ik bleek ernstig overprikkeld, geluid was al gauw te hard, gezelschap al gauw te veel.

Patronen veranderen

Ik was 42. In die tijd kwamen veel leeftijdgenoten naar me toe die vertelden dat ze ook zoiets hadden meegemaakt, in meer of minder ernstige mate. Na een maand of wat ging het beter. Ik las weer, heb een hele reeks O.B. Bommel boeken tot mij genomen, verhaal voor verhaal. Vooral maakte ik lange fietstochten door de polder. Heerlijk, dat lege land. Lekker op een kilometerslange rechte weg tegen de wind in fietsen. En daarna languit op een bankje langs de vaart. Op dat moment ben ik supervisie gaan doen bij Florus Kruyne. Die mij werkelijk enorm geholpen heeft een aantal zaken m.b.t. mijn werk, mijn levenshouding en patronen waar ik mijzelf niet van bewust was, helder te krijgen en erop in te steken dingen te veranderen.

Tegen het einde van de zomer was ik er weer aan toe naar een werkplek te gaan. Ik herinner me die eerste keer nog goed – niets bijzonders, een vergadering. Maar ik was heel blij dat ik er weer was. En ook heel blij dat ik een dag had om ervan bij te komen.

Concentratie en beperking

Nadien zijn er zeker dingen veranderd. ‘Luisteren naar je lijf’ klinkt als een cliché, maar is echt een hele goede aanwijzing. Net als: grenzen stellen. Ik kan nog steeds veel dingen tegelijk aanpakken, en ik werk nog steeds hard. Als het moet, zet ik gerust een tandje bij, desnoods zeven dagen per week, voor even dan. Maar ik streep ook probleemloos dingen uit de agenda als ik het gevoel heb dat het teveel wordt. Ik voel me ook niet meer, zoals vroeger, overal hoogstpersoonlijk verantwoordelijk voor. Verder ben ik heel selectief geworden in dingen die ik wel wil en die ik niet wil. Concentratie en beperking.

Ik heb toen in 2003 en daarna mezelf teruggevonden. Ik heb niet alleen ervaren hoe onprettig het is om jezelf kwijt te raken, maar ook, hoe belangrijk het voor dat bijzondere ambt van predikant is dat je ‘bij jezelf blijft’. Alleen op die manier kan het echt wat voorstellen.

Bert Dicou
Redactie AdRem, predikant in de doopsgezind-remonstrantse gemeente Hoorn

Zie ook