Kerstspel in de Geertekerk: tradities geven houvast
Foto: Martine Chandon

Kerstspel in de Geertekerk: tradities geven houvast

Toen het woord wierd vervuld, so God verkondigd had, kwam daar een Engel snel, van noame Gabriël. Komende kerstavond wordt in de Geertekerk het geboorte- en herdersspel van de Vrije School uitgevoerd. Een 16e-eeuws ‘boers’ kerstspel, in een soort oudnederlands. Geen voor de hand liggende keuze voor een kerkdienst in 2018 bij de Remonstranten. Zou je denken.

Spelen

Het mysteriespel is een middeleeuwse toneelvorm, ontstaan in de kerk als aanschouwelijk onderwijs: de geestelijken verbeeldden een bijbelse gebeurtenis met toneel en zang.

In de loop van de 13e en 14e eeuw gaan ook niet-geestelijken meedoen en vinden de opvoeringen steeds vaker plaats buiten de kerk. Met name in de vorm van wagenspelen, de spelers trekken van dorp naar dorp. De mysteriespelen groeien in populariteit en er ontwikkelt zich een hele serie, over alle belangrijke bijbelse verhalen, van de schepping tot de dag des oordeels. Eind 15e eeuw is de traditie van het uitvoeren ervan op hoogtijdagen over heel Europa verspreid. Zo’n cyclus van spelen kan dan bij elkaar wel twintig uur in beslag nemen, over een aantal dagen verdeeld.

Het zal niemand verbazen dat de kerk besluit dat het veel te leuk is allemaal; in Frankrijk worden de lekenspelen in 1548 zelfs helemaal verboden. Ook de tijdgeest speelt een rol: ‘verintellectualisering’ verdringt volkswijsheid, wetenschap verdringt mystiek, geletterdheid vermindert de behoefte aan aanschouwelijk onderwijs. Maar zo her en der blijven de tradities overeind.

Oberufer

Op één ervan wordt Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie, geattendeerd door zijn leermeester en vriend Karl Julius Schröer. Het gaat om het kerstspel uit het West-Hongaarse Oberufer (bij Preszburg gelegen, het huidige Bratislava). De Duitse kolonisten hadden de spelen uit het westen meegebracht en het spelen ervan elk jaar rond Kerst voortgezet. Een familie van aanzien bewaarde de traditie generaties lang. Het oudste familielid was de leermeester. Hij zocht uit de jongens van het dorp elk jaar, wanneer de wijnoogst voorbij was, geschikte spelers. Die jongens bracht hij het spel dan bij. Ze moesten zich tijdens de periode van het instuderen ‘een levenswijze aanmeten die bij de ernst van de zaak past’.

De kerstspelen van Oberufer vormen een drieluik. Eerst het paradijsspel, over de schepping en Adam en Eva, die verleid worden door de duivel en verdreven uit het paradijs. Het paradijsspel wordt direct voorafgaand aan het tweede spel uitgevoerd of een paar weken eerder. Het eindigt met de belofte ‘dat Godvader zijn zoon zal sturen’. Het tweede is dan het geboorte- en herdersspel, rond Kerst. Tenslotte volgt het driekoningenspel.

Ruwe grappen

Schröer zag de spelen in een herberg. ‘Zowel spelers als toeschouwers brachten een innige kerststemming mee. Deze stemming’, schrijft Steiner in 1922, ‘wortelt in een echt vrome overgave aan de kerstwaarheid. ‘Edele stichtelijke scènes worden afgewisseld met ruige, grappige scènes. Deze doen geen afbreuk aan de ernst van het geheel: ze laten zien, dat de spelen uit de tijd stammen waarin de vroomheid zó sterk in het gemoed geworteld was, dat die goed gepaard kon gaan met naïeve, volkse vrolijkheid.’ Zo is naast de fijnzinnig uitgebeelde Maagd een wat onbeholpen Jozef gezet. Voorafgaand aan hun vrome aanbidding maken de herders nog ruwe grappen. De makers wisten dat dat het innige en stichtelijke bij het volk niet vermindert, maar juist verhoogt. ‘Men kan bewondering hebben voor de kunst die uit het lachen een prachtige stemming van vrome ontroering tevoorschijn haalt, en die daardoor juist de valse sentimentaliteit verre houdt.’

Naar Nederland

Toen Steiner in 1919 de eerste Vrije School oprichtte, nam hij het kerstspel gelijk op in het jaarprogramma. Hij vroeg Leopold van der Pals om er muziek bij te vinden of te maken. Later vertaalde Sanne Bruinier de teksten voor Nederland. Zij verzon een soort archaïsch-boerse taal die qua karakter het Duitse origineel benadert. Dat levert nog wel eens discussie op over de begrijpelijkheid van het spel. Onder de volwassenen welteverstaan – de kinderen hebben er geen last van.

Die kijken hun ogen uit. Het begint al met het groeten, aan het begin van het spel. De spelers begroeten met zwierige gebaren alles wat je kunt bedenken: elkaar, het publiek, de Drieëenheid, de os en de ezel, de geestelijke heren, de schout… Van de bijzondere ‘scheer’ van de sterrenzanger worden zelfs de afzonderlijke latjes begroet. Daarbij krijgt één van de herders bijna zijn vinger ertussen, oei! Elk jaar opnieuw.

Kracht van de herhaling

Dat is belangrijk. De kinderen van de Vrije School krijgen het herdersspel doorgaans twaalf keer te zien, van de eerste klas als ze zeven jaar zijn tot en met de middelbare school. De eerste jaren zijn ze helemaal in het verhaal, later is het leuk te zien welke docent welke rol speelt; tegen de tijd dat ze zestien zijn vinden de meesten er weinig meer aan. Maar wanneer ze volwassen zijn ervaart de meerderheid dat er zonder kerstspel iets aan Kerst zou ontbreken.

Tradities kunnen houvast geven, juist door hun onveranderlijkheid. Ik denk dat we daar in de Geertekerk nog wel wat van kunnen leren. We hebben er een handje van dingen ’s even lekker anders te doen. In die zin past het uitvoeren van dit spel goed, dat is immers ook weer eens heel wat anders. Maar ik bedoel het omgekeerde: dat het goed kan zijn ergens écht vertrouwd mee te raken. En dat daarvoor herhaling nodig is die een weg aflegt van nieuw naar nu-weten-we-het-wel naar iets dat is verankerd in je zijn. De spelers op 24 december, van de Vuurvogel in Driebergen, zijn die weg met dit spel al van kinds af gegaan. Ik hoop van harte dat de kerkbezoekers daar iets van meekrijgen.

Maarten van der Bijl
cantor – organist in de Geertekerk

 

 

Zie ook