Intussen in Dordt (4)

Intussen in Dordt (4)

Op 13 november 1618 werd de Nationale Synode van Dordrecht geopend, maar zonder remonstrantse deelnemers. Alleen de classis Utrecht had enkele remonstrantse predikanten durven afvaardigen. Pas op 6 december 1618 mochten twaalf remonstrantse predikanten in de Kloveniersdoelen aanschuiven, samen met de Leidse hoogleraar Simon Episcopius, maar dan niet als deelnemers, maar als aangeklaagden. Zij mochten niet tussen de andere synodedeelnemers plaatsnemen in de banken, maar moesten gaan zitten aan een tafel in het midden van de vergaderzaal. Zo werd ook ruimtelijk uitgedrukt dat zij er in een andere en ongelijkwaardige positie zaten. Zij werden door de Synode ter verantwoording geroepen voor hun vrijzinnige opvattingen. En zij wisten eigenlijk al dat het slecht zou aflopen: gezien de samenstelling van de Synode was het wel duidelijk dat zij veroordeeld zouden worden. De Synode was geen forum voor open discussie, maar een rechtbank van de rechtzinnigheid. In de beleving van de remonstranten deed zij niet onder voor de roomse inquisitie, die in de voorafgaande eeuw zoveel slachtoffers in de Nederlanden had gemaakt.

Toch gaven zij de moed niet op. Zij waren van tevoren in Rotterdam bij elkaar gekomen om zich te beraden en een strategie af te spreken. Die strategie bestond vooral uit rekken en erbij blijven. Daarvoor maakten zij vooral gebruik van procedurele argumenten; zij realiseerden zich dat inhoudelijke, theologische argumenten al geen kans meer maakten. Dat irriteerde de rechtzinnige leiders van de Synode, vooral de voorzitter Johannes Bogerman. Het leidde uiteindelijk op 14 januari 1619 tot het boos wegsturen van de remonstranten.

Indrukwekkende toespraak
Maar voor het zover was, stak Simon Episcopius op 7 december 1618 een indrukwekkende toespraak af. Deze is in 2015 uitstekend in het Nederlands vertaald en deskundig ingeleid door Simon Vuyk in het boekje De Arminiaanse Vredeskerk. De toespraak zelf werd namelijk in het Latijn gehouden. Dat was de voertaal tijdens de Synode. Niet verwonderlijk, want het Latijn was nog altijd de taal van het academisch onderwijs en van het geleerde discours onder de theologen. Bovendien waren er buitenlandse waarnemers bij de Synode, en het Latijn was toen nog de taal bij uitstek voor internationale communicatie, vergelijkbaar met wat nu het Engels is.

Simon Episcopius, die in de volkstaal gewoon Simon Bisschop heette, was in 1583 in Amsterdam uit een vooraanstaande patriciërsfamilie geboren, maar werd al jong wees. Dankzij een studiebeurs kon hij filosofie en theologie gaan studeren aan de universiteit van Leiden, waar hij onder het gehoor van Jacob Arminius zat. Aan de universiteit van Franeker verdiepte hij zich vervolgens in het Hebreeuws. In 1611 werd hij predikant in Bleiswijk, maar zijn pastorale werk was van korte duur. Hij moet een briljante en originele geleerde zijn geweest, zoals ook uit zijn latere werk blijkt. En dat talent werd snel ontdekt: in 1612 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de Leidse universiteit, nota bene als opvolger van Franciscus Gomarus, de tegenstander van Arminius.

Rede als richtsnoer

Net als Arminius wilde Episcopius theologie beoefenen in de lijn van Erasmus, met de rede als richtsnoer en met de filosofie als hulp voor het verstaan van de Bijbel. Hij nam afstand van de spitsvondigheden van de middeleeuwse scholastieke theologie. Zijn humanistische benadering maakte Episcopius al snel verdacht bij de calvinistische theologen. Toen hij in 1615 een reis naar Parijs maakte en daar ook paters jezuïeten zou hebben bezocht, werd hem door de volgelingen van Gomarus verweten dat hij liever met katholieken dan met gereformeerden omging, een verwijt dat eerder ook Arminius te horen had gekregen wegens zijn reis naar Rome.

Als hoogleraar te Leiden had Episcopius bij de Synode eigenlijk als theologisch adviseur uitgenodigd moeten zijn. Maar dat was niet het geval: hij was er als gedaagde. Op de dag waarop de Synode in Dordrecht werd geopend, nam Episcopius met een toespraak afscheid van zijn studenten in Leiden. Hij drukte ze nog eens op het hart zich niet te laten vangen door de doolhoven en strikken van de kerkelijke dogmatiek, maar trouw te blijven aan de rede als dienares bij de uitleg van de Schrift.

Pleidooi voor religieuze tolerantie
De lange toespraak (anderhalf uur!) die Episcopius op 7 december 1618 hield, is eigenlijk één groot pleidooi voor een verdraagzaam en pluriform christendom. Episcopius ging eigenlijk nauwelijks in op de theologische kwestie van de predestinatie, die volgens het gangbare beeld het grootste strijdpunt tussen remonstranten en contraremonstranten zou zijn. Nee, die kwestie was slechts de aanleiding die het verschil tussen twee stijlen van theologiebeoefening duidelijk maakte en ook tussen twee kerkbeelden. Aan de ene kant was daar een theologie en een kerkbeeld die strikt aan een door de kerk geformuleerde belijdenis gebonden moesten zijn. Daar tegenover stond het beeld van een ruime, verdraagzame kerk, die de Bijbel als fundament heeft, maar waar er ruimte is voor diversiteit in de uitleg daarvan. Binnen de kerk zou er een geest van onderlinge verdraagzaamheid moeten zijn in plaats van partijschappen, intriges en uitsluiting. Episcopius gaf eerlijk toe dat ook de rekkelijke predikanten zich daaraan hadden bezondigd. Maar dwang hoort niet thuis in de kerk. Het was volgens Episcopius de taak van de overheid om de verdraagzaamheid door een politiek van tolerantie te waarborgen. Daarom hadden de remonstranten eerder zelf ook gepleit voor het bijeenroepen van een synode. De afloop van de Synode van Dordrecht deed die droom van de rekkelijken evenwel in duigen vallen.

De toespraak van Episcopius is, samen met de Statenvertaling, misschien wel het beste dat de Synode van Dordrecht heeft voortgebracht: een pleidooi voor vrij en verdraagzaam christendom, waarin ‘de waarheid onze grootste vriendin is.’

Peter Nissen is remonstrants predikant in Oosterbeek en hoogleraar Oecumenica aan de Radboud Universiteit in Nijmegen

 

Zie ook