Over mensen en dieren
Afbeelding: Kees Timmer

Over mensen en dieren

Dat mensen superieur zijn aan andere levende wezens, is een gedachte die diep in ons verankerd ligt. Dat geldt voor mensen in het algemeen, maar zeker ook voor onze Westerse traditie van denken en christelijk geloven. In de bijbel vinden we weliswaar verrassende passages over de relatie tussen mens en dier. Aan het eind van het fijnzinnige boekje Jona wordt de boze Jona terechtgewezen. Hij zou het zijns inziens verderfelijke Nineve liefst naar de verdommenis zien gaan. ‘Hoe zou ik dat kunnen willen?’, vraagt God hem. Denk eens aan de talloze mensen die daar wonen ‘en dan nog al die dieren.’ En volgens de sceptische auteur van het bijbelboek Prediker herinnert God zelf de mensen aan hun verwantschap met de dieren. ‘Allen hebben eenzelfde adem: een voordeel van de mens op het dier is er niet.’

Mensen bijna goddelijk

Maar de hoofdlijn staat in het scheppingsverhaal aangegeven: mensen moeten heerschappij voeren over vissen, vogels en al wat verder leeft (Gen.1:26) en zijn zo beschouwd ‘bijna goddelijk’ (Psalm 8). Die hoofdlijn heeft zich in het vervolg van de geschiedenis vrijwel onweersproken voortgezet. Alleen bij de vrijzinnige theoloog Albert Schweitzer (1875-1965) zie ik een consequente poging om het antropocentrisme – de overtuiging dat de mens terecht een centrale en dominante positie inneemt – te doorbreken. Hij koos zijn uitgangspunt in de elementaire verbondenheid van al wat leeft en leven wil. Voor hem was dat geen theorie, maar doorleefde werkelijkheid. In een autobiografisch verband schreef hij: ‘Ik ben blij met de nieuwe medicijnen tegen de slaapziekte. Ze maken het mogelijk om leven dat vroeger onder grote pijn wegkwijnde, te behouden. Maar iedere keer wanneer ik onder de microscoop de verwekker van die ziekte voor me zie, kan ik niet anders dan stilstaan bij het feit, dat ik dit leven vernietigen moet, om dat andere te redden.’ Zo baande Schweitzer de weg naar een nieuwe gevoeligheid en maakte hij een eind maakt aan wat de filosoof Bacon (1561-1627) de ‘idola tribus’ noemde: de tribale idolen, die mensen ertoe brengen om al het andere naar hun eigen maat te begrijpen. Onze onwetendheid is groot, concludeerde Bacon.

Nieuwe gevoeligheid

Inmiddels zijn we over de geest, de taal en de moraal van dieren heel wat meer te weten gekomen (zie bijv. de boeken van Eva Meijer). In dit artikel vraag ik vooral aandacht voor wat de literaire verbeelding ons kan laten zien. De verbeelding produceert geen wetenschappelijke kennis, maar draagt op haar eigen manier bij aan de vergroting van onze gevoeligheid voor ander leven. Ze kan ons helpen los te komen van de blindheid van onze soort voor de sensibiliteit van ‘niet-menselijke dieren’.  En biedt op die manier een correctie van wat ik zojuist als hoofdlijn van de bijbelse literatuur naar voren haalde.

Vele voorbeelden daarvan zou ik kunnen geven, maar ik beperk me tot een tweetal. Beide gaan ze over honden. Allereerst Thomas Mann, die de ‘identiteitsroes’, de lach en de gebrokenheid ‘naar lichaam en ziel’ van zijn hond Bauschan nauwkeurig beschrijft. Door observaties als deze kunnen schrijvers ons leren om met echte empathie naar andere levende wezens te kijken. En soms ook om iets op te vangen van de tegendraadse wijsheid van dieren. ‘Humaniteit, uw naam is een dier’, staat in een boek van Charlotte Mutsaers. Een voorbeeld daarvan dat me diep geraakt heeft, is afkomstig is uit de novelle ‘Le chien’ (De hond) van Eric-Emmanuel Schmitt.

Humaniteit, uw naam is een dier

De hoofdpersoon Samuel Heymann is een holocaustoverlevende. Enkele dagen na de dood van zijn hond Argos maakt hij een eind aan zijn leven. Gaandeweg wordt meer duidelijk over de achtergrond daarvan. In het kamp had hij een hond ontmoet waarmee hij spreken kon ‘zoals met niemand in het kamp’. Dankzij hem heeft hij kunnen overleven. ‘Als mensen zo naïef zijn om in God te geloven, zijn honden zo naïef om in de mens te geloven.’ Heymann raakt in gesprek met een vroegere medegevangene die verbijsterd is over de wens van een kleinzoon om rabbi te worden. ‘Terwijl ik Argos die onder tafel zat streelde, durfde ik hem niet  te antwoorden, dat God bij me was teruggekeerd in de blik van een hond.’

Natuurlijk ontsnappen deze literaire uitingen niet aan het antropomorfisme. Ze tekenen dieren naar de maat en het beeld van de mens. Al staat nog te bezien in hoeverre dat het geval is, en of wetenschappelijk onderzoek niet steeds meer overeenkomstigheid aan zal tonen. Ze kunnen ons hoe dan ook helpen om op de weg van de verbeelding inzicht te krijgen in de sensibiliteit, de geest en de moraal van niet-menselijke dieren. En wellicht ook, om geleidelijk in te stemmen met de wijsheid van Prediker, dat mensen en dieren de roeach – hun adem of geest – met elkaar delen.

Johan Goud
remonstrants emeritus-predikant, voormalig hoogleraar ‘Religie en zingeving in literatuur en kunst’ aan de Universiteit Utrecht

Eind 2019 verschijnt: Johan Goud (red.), Leven dat leven wil. Over dieren en mensen.

 

Zie ook