Wonen overal, nergens thuis

Wonen overal, nergens thuis

Waar kom je oorspronkelijk vandaan? Is die vraag ooit aan u gesteld? Als u met ‘nee’ antwoordt, dan is de kans groot dat u niet begrijpt hoe grensoverschrijdend en kwetsend deze meestal goedbedoelde vraag voor sommige mensen kan zijn. Na meer dan twintig jaar woonachtig te zijn in dit mooie land, wordt deze vraag aan mij nog regelmatig gesteld. Aan anderen bijna dagelijks. Ik ga er meestal vanuit dat er een oprechte belangstelling achter schuilgaat. Of dat de vraag gewoon bedoeld is als een makkelijke opening voor een gesprek. Maar de vraag kan ook ongemak oproepen. ‘Waar kom je oorspronkelijk vandaan?’ impliceert namelijk: jouw huidskleur, jouw tongval of jouw taalfouten maken duidelijk dat jij niet van hier bent, dat jij niet één van ons bent. De scheidslijn tussen interesse en labeling, iemand een stempel op drukken en ergens indelen, is vaag en kan voor ongemakkelijke situaties zorgen.

Jou land is my land

‘Wonen overal, nergens thuis.’ Het lied van Huub Oosterhuis beschrijft het lot van veel mensen die ooit voor de liefde, voor een betere toekomst, op de vlucht voor oorlog en geweld, of om welke reden dan ook hebben gekozen om hun geboorteland achter zich te laten en naar een ander land te gaan. Vaak met als gevolg dat je nooit meer echt thuis bent in het land dat je hebt verlaten, maar tegelijk levenslang een vreemdeling, iemand die er niet echt bij hoort, blijft in het nieuwe land. ‘Jou land is my land’, zingt Stef Bos in het Afrikaans met een verwijzing naar de bijbelse Ruth. ‘Ik laat u niet in de steek. Waar u heen gaat, daar ga ook ik heen. Waar u woont, daar wil ik ook wonen. Uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God. Waar u sterft, daar wil ik ook sterven, en daar wil ik ook begraven worden’, zegt Ruth tegen Naomi. Het klinkt misschien vreemd, maar juist die laatste belofte zie ik als een bewijs ervoor dat iemand echt een keuze maakt voor een ander land. Veel mensen hebben bijna hun leven lang in een vreemd land gewoond, maar kunnen zich niet voorstellen om in dat land ook begraven te worden. Zij willen hun laatste rustplaats graag vinden in hun geboorteland.

Het moet hard voor Naomi zijn geweest eerst haar man en daarna haar twee zonen te verliezen. Rouwend blijft zij achter, een weduwe zonder kinderen in ballingschap. Zij wil terugkeren naar haar geboorteland. Dat is te begrijpen. Na haar verblijf in den vreemde zoekt zij geborgenheid in haar eigen land, bij mensen die zij kent en die haar kennen, in een taal die haar vertrouwd is.

Naomi laat haar schoondochters in liefde los. Zij raadt hen aan om in vrijheid hun eigen weg te gaan. Orpa volgt dit advies. ‘Orpa kuste Naomi en nam afscheid.’ Dat is het laatste wat we ooit van haar horen. Was haar keuze een verkeerde keuze? Kunnen we ons niet voorstellen hetzelfde te doen? Inmiddels niet meer, maar lange tijd ging ik ervan uit dat na een eventueel mislukken van mijn relatie met een Nederlander ik gewoon weer terug zou gaan naar Duitsland. ‘Jouw land is mijn land.’ Maar misschien toch niet helemaal. Waar zou u voor kiezen?

Van wonen naar thuis-zijn

‘Wonen overal nergens/even/bijna thuis.’ De eerste regel van ieder couplet van dit bekende lied is bijna hetzelfde en toch ook weer niet. Er zit blijkbaar een spanning tussen ‘wonen’ en ‘thuis-zijn’. Je kunt wel ergens wonen, maar daarmee ben je nog niet thuis. Als ik in mijn begintijd weleens van ‘bij ons thuis’ sprak wanneer ik over mijn geboortedorp vertelde, zei mijn Nederlandse partner consequent: ‘Daar kom je vandaan. Maar thuis ben je nu hier bij mij.’ Wanneer ben je ergens thuis? Het lied probeert ons min of meer de weg te wijzen van wonen naar thuis-zijn. En die weg heeft een duidelijk einddoel, het wordt genoemd aan het einde van iedere strofe: ‘Mensen, veel geluk’. In de eerste strofe is er iets van begin van leven. De mens is nog ‘nergens thuis’. Die eerste strofe geldt, denk ik, niet alleen voor mensen die aan het begin van hun leven staan, maar ook voor iedereen die in zijn leven een nieuw begin wil maken, die op een bepaald moment van het leven ‘nergens thuis’ is en die ‘opstaat en gaat leven’. In de tweede strofe is het leven volop aan de gang: de mens trekt van huis naar huis, is soms ‘even thuis’. In de derde strofe komen we ‘bijna thuis’. Volgens de christelijke kerkvaders is iedere gelovige uiteindelijk een vreemdeling in deze wereld, een migrant, een reiziger, een pelgrim. Wij hebben onze uiteindelijke woning niet bereikt en zullen haar in deze wereld ook niet bereiken. We zijn altijd onderweg, op weg naar Gods nieuwe wereld. Als we daar ons leven op oriënteren, dan is het dus mogelijk: overal wonen en nergens thuis zijn en toch op weg zijn naar geluk.

Reinhold Philipp
Remonstrants predikant in gemeente Den Haag

Zie ook