Vader en zoon Heering en de overdracht van het geloof
Afbeelding: Pieter Heering

Vader en zoon Heering en de overdracht van het geloof

Beroemde geslachten kennen we bij de Remonstranten. Zoals de familie Heering, allemaal theoloog. Hebben zij elkaar beïnvloed eigenlijk?

In een artikel over de ‘theologische familiegeschiedenis’ van drie generaties Heering, typeert Johan Goud de geloofsverkondiging van de Haagse remonstrantse predikant Pieter Heering (1838-1921)  als ‘spiritualistisch, idealistisch en humanistisch getoonzet’, met een boventoon van morele ernst. Zijn zoon Gerrit Jan Heering (1879-1955) en zijn kleinzoon Herman Johan Heering (1912-2000) zullen als belangrijke vertegenwoordigers van de twintigste-eeuwse remonstrantse theologie eigen accenten leggen. Aan het eind van hun leven schrijven zoon en kleinzoon beiden een toegankelijk geschrift over hun geloof. Daarmee willen zij niet alleen inzicht geven in hun eigen geloofsontwikkeling, maar ook in gesprek komen met (leef)tijdgenoten en volgende generaties. De grote thema’s van hun werk zijn in deze late geschriften niet afwezig maar persoonlijker getoonzet: ervaring en openbaring, toekomstverwachting, God en Christus. Na een korte introductie van hun persoon haal ik enige markante passages uit hun geloofsgetuigenis naar voren.

G.J. en H.J. Heering

G.J. Heering was jarenlang kerkelijk hoogleraar aan het Remonstrants Seminarium in Leiden (1917-1949). Het pacifistische ‘De zondeval van het christendom’ en de zogenoemde vrijzinnige dogmatiek ‘Geloof en Openbaring behoren tot zijn belangrijkste werken. Vanuit een sterk geloofsvertrouwen verbond Heering daarbij dogmatiek en ethiek. In de latere jaren van zijn leven legde de bijbelse toekomstverwachting van Gods koninkrijk steeds meer beslag op zijn geest. Ook zijn zoon H.J. Heering was na een aantal jaren predikantschap hoogleraar in Leiden, in de godsdienstwijsbegeerte en ethiek (1964-1978). Ook in veel van zijn werk komt de religieuze toekomstverwachting ter sprake. Vaak in verbinding met de ethiek, bijvoorbeeld in het bekende ‘Ethiek der voorlopigheid uit 1969: wat betekent toekomstgericht zedelijk handelen in een gecompliceerde werkelijkheid waarin de oude moraal het niet meer doet?

Hoe ik tot mijn geloof kwam

De teksten van G.J. Heering’s ‘Hoe ik tot mijn geloof kwam’ (1954) zijn oorspronkelijk uitgesproken voor de V.P.R.O.-radio (toen nog met puntjes). Graag had Heering de titel omgedraaid en gesproken over het geloof dat tot hem was gekomen. Geloof is immers geen verworvenheid van de mens, maar gave. Het bestaat uit inzicht in de waarheid die God openbaart, vertrouwen in die waarheid en volharding in het dienen ervan. In het geschrift verbindt Heering deze geloofsopvatting met noties als gevoel van afhankelijkheid, ontzag voor het heilige en roepingsbesef. Natuurlijk speelt het gezin waarin hij opgroeide een rol in de wijze waarop hij tot zijn geloof kwam. Het was een ‘hartelijk en harmonisch’ gezin en in een liefdevolle omgeving kan het geloof ‘vrijer leven en ademen’. Maar tenminste zo belangrijk was de eerbied, het ontzag voor wat boven hem was, de eerbied en het ontzag voor het heilige. Heering verhaalt hoe dat besef hem op hardhandige wijze door een oudere neef werd bijgebracht. Tijdens een wandeling citeert hij in antwoord op de vraag of hij dorst heeft uit psalm 42: ‘Reusachtig, gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen’. ‘Mijn neef zag mij verschrikt en daarna toornig aan, zijn hand schoot uit en opeens had ik een flinke draai om mijn oren te pakken en hoorde ik hem zeggen: Nare jongen, je zult dat laten!’ Van de schrik van deze catechetische klap bekomen geeft Heering zijn neef volkomen gelijk. Van nu af aan begrijpt hij dat er dingen zijn waarvan je af moet blijven. Het zijn heilige dingen die je alleen met eerbiedige handen aan mag raken. Met besef van het heilige, van het mysterie, het geheim én het ontzag daarvoor komt geloof in je leven.

Uiteindelijk doet dat besef in Heering het gevoel ontwaken geroepen te zijn tot het predikantschap. Het predikantschap van zijn vader zal van invloed zijn geweest, maar dat doet hem juist ook aarzelen: ‘Wanneer mijn vader op de kansel stond met zijn grijze, eerbiedwaardige kop, dan vond ik: Jou komt het toe het Evangelie te verkondigen, maar een kwajongen als ik, die het zijn leraren in de klas nogal eens moeilijk maakte en meer dan eens een standje opliep, een jongen, die de helft van zijn hart aan tennis en voetbal verpandde, die moest zich zoiets niet in zijn hoofd halen.’ Het kan verkeren, want het is diezelfde neef van de klap, predikant geworden, die hem over de streep zal trekken: als je voelt dat God je roept, ondanks gebreken, ‘laat dan de rest  maar aan Hem over’.

 De God die niet meer nodig is

Met het veertig jaar later geschreven ‘De God die niet meer nodig is. Voor wie aan God geen boodschap hebben’ (1996) belanden we in een heel andere tijd en tevens in een ander taalveld. Meer nog dan bij zijn vader is geloofsoverdracht niet alleen gericht op een volgende generatie, maar is het als het aangaan van een gesprek met tijdgenoten die zich van dat geloof maar moeilijk een voorstelling kunnen maken. H.J. Heering, die zich typeert als een ‘oude theoloog’, is minder stellig dan zijn vader, opener, dialogischer ook.  Zijn boek gaat over God en is bedoeld voor mensen die daar niets om geven, die daar niets van weten en er misschien toch nieuwsgierig naar zijn. De titel herinnert aan de redevoeringen over de religie van de beroemde Verlichtingstheoloog Schleiermacher (1768-1834). Redevoeringen, gericht tot de ontwikkelden onder haar verachters.

Het is interessant te zien hoe Heering poogt in contact te komen met wie aan God geen boodschap (meer) hebben. Zijn poging is enigszins vergelijkbaar met het zogenoemde antropologische vloertje in de Remonstrantse Belijdenis 2006. Pas na benoemd te hebben wat alle mensen met elkaar verbindt, is het tijd voor de specifiek christelijke invalshoek. Hoe beantwoorden we vragen als: wie zijn we, wat verwondert ons, waarvoor voelen we ons verantwoordelijk? Hoe zou geloofstaal daarbij een rol kunnen spelen en wat heeft geloof van doen met verstand, moraal en kunst?  Voor Heering is geloof niet vanzelfsprekend of gemakkelijk. Het leeft van protest, van een ‘en toch’, van het besef dat het anders kan en anders moet. Geloof leeft van ‘de enkele lantaren in een donkere of mistige straat, van een verrassend woord in het gepraat van alledag’, van een plotseling dagend inzicht of een terugkerend verhaal uit je kinderjaren. Geloven is zien soms even, maar evenzogoed ‘een volhouden zonder te zien’. Het is een in alle vrijheid gekozen koersbepaling, waarbij je kiest maar ook gekozen wordt. Door God, die niet zomaar in de wereld te vinden is, zeker niet met het verstand alleen, maar toch op eigen wijze present is: als troost, als opdracht en vraag, als perspectief op de wereld. Nee, we krijgen God niet te zien als uitvergrote Sinterklaas, maar wel als een spoor dat de moeite van het volgen waard is. God is een heilig geheim waarin wij zelf betrokken zijn. Ieder heeft hier in alle vrijheid eigen keuzes te maken, maar… niet kiezen is ook een keuze.

Tot slot

Zo wilden vader en zoon Heering doorgeven aan hen die na hen zouden komen wat zijzelf aan waarde ontvangen hadden. Dat vroeg om het vermijden van theologische geheimtaal en om aansluiting bij algemeen menselijke ervaringen. Tegelijk blijft er dat moment dat er niets meer uit te leggen valt, dat je het geheimenis, het heilige, ervaart of niet. Een traditie kan je die ervaring niet geven maar er wel gevoelig voor maken en helpen die ervaring te duiden. Daarmee is het belang van overdracht onderstreept, ook als het gaat om de geloofstraditie. Het gesprek met die traditie gaat altijd voort. Door je in dat gesprek te mengen word je niet een beter maar mogelijk wel een completer mens.

Koen Holtzapffel

Remonstrants predikant in Rotterdam

 

Zie ook