Wat is geloven?
Afbeelding: Marjorie Specht

Wat is geloven?

Johan Goud schrijft een negendelige serie over de vraag wat geloven nu eigenlijk is. In dit nummer deel 7.

Zelfkennis
In mijn eerste artikel schreef ik over de verleiding om anders, groter, beter te willen worden dan je bent. Religie is daarbij vaak behulpzaam en helpt je om een aantrekkelijk masker op te zetten: ik ben niet wie jullie denken dat ik ben, Gods beeld ben ik immers, een verloste, een imitator van Christus. Vrome hoogmoed. Overigens kan ditzelfde effect ook heel anders getoonzet zijn. In dat geval doordringt geloof je van het droeve feit dat je levenslang op tekort staat en een miserabele zondaar bent. Ultragereformeerden geloven het zo, maar ook sommige psychoanalytici waarderen deze benadering: ‘zonde is het enige realistische woord in de hele christelijke fabel’ (1) Dezelfde psychoanalytici onderstrepen overigens dat mensen zelfs van het tekortschieten kunnen genieten. Dat jij in de grond van de zaak niets van waarde vertegenwoordigt en dat weet, verheft je immers boven anderen.

Groei in wijsheid
Psychologische godsdienstkritiek – ‘vroomheid is zelfbedrog, God een projectie’ – maakte op mij als gereformeerd opgevoede scholier diepe indruk. Ik kwam die kritiek tegen bij Simon Vestdijk, die haar breed uitwerkte in zijn boek over de toekomst der religie (1946). Hij prefereerde het hindoeïsme en het boeddhisme, religies die hun aanhangers aansporen introspectie te beoefenen en zichzelf te leren kennen. Het probleem met een begrip als ‘zonde’ is dat het wel kritiek levert, maar geen inzicht verschaft. In de jaren zeventig sloot ik mijn theologiestudie af met een pleidooi voor een ruimer en vrijer type van geloof. Een geloof dat mensen niet tot zondaars verklaart en afhankelijk maakt van het hun toevallende geschenk van geloof en hoop, maar dat hun inzicht in de werkelijkheid vergroot.  Protestantse theologen zouden, zo meende ik, in de leer moeten bij mystici en Indiase denkers, maar ook bij een ‘ketters’ geachte theoloog als Origenes (185-254). Zij allen beschreven de weg van het geloof als een groei in wijsheid. Hun visies verrasten me en sleepten me mee, al vergat ik niet om mijn scriptie af te sluiten met de reactie van een Indiase goeroe op de wens van een toerist om hindoe te worden: ‘Ik adviseer je te gaan en allereerst een echte christen te zijn; leef naar het woord van de Heer. Blijf je je daarna onvervuld voelen, dan kun je alsnog overwegen wat je te doen staat.’ (2)

Oneindig groter
De belijdenis die de Remonstranten in 2006 formuleerden, begint met een antropologische passage. De ‘wij’ die aan het woord zijn, willen allereerst iets zeggen over zichzelf, over het belang van wakkerheid en van verbondenheid met al wat leeft. Wij beseffen en aanvaarden, staat er vervolgens,

 dat ons bestaan niet voltooid wordt door wie we zijn en wat we hebben,
maar door wat oneindig groter is dan wij kunnen bevatten.

Intrigerende en paradoxale woorden. Want dat oneindig grotere – verwijzend naar wat in de 11de eeuw Anselmus van Canterbury over God schreef: ‘groter dan hetwelk niets gedacht kan worden’ – maakt weliswaar deel van ons uit. Het maakt ons tot de open, niet vastgelegde wezens die we zijn. Maar een voltooiing biedt het niet, het blijft ons altijd ontsnappen. Precies dat maakt ons tot vragers die geen antwoord, zoekers die geen oplossing vinden. In allerlei situaties dringt dat tot je door. Als je verliefd bent bijvoorbeeld, en met Herman Gorter beseft: ‘ik wou het helemaal zeggen – maar ik kan het toch niet zeggen’. Of als het lijden van anderen je met stomheid slaat, maar ook onvoorwaardelijk opeist.

Bidden
Iets soortgelijks ontdek je als je probeert te bidden, gezamenlijk of alleen. Je spreekt dan een God aan wiens naam je indirect, dus van horen zeggen kent en op wiens komst je hoopt – maar zonder enige garantie in handen te hebben. De dichter en theoloog Van der Graft schreef op gebeden lijkende gedichten in deze zin:

Ik spreek tegen u, ik noem u,

al ken ik u niet van nabij,

alleen maar van horen zeggen,

alleen maar van horen zwijgen,

ik spreek u tegen binnensmonds,

ik noem u namens mijn lichaam,

laat ons niet vochtig van aarde, o

vaardig naar ons af een ochtend. (3)

Theologen hebben in het bidden vaak de grondvorm van hun theologisch spreken gevonden. Daar tekende zich af wat het raadselwoord ‘God’ moest betekenen. Vele varianten zijn mogelijk gebleken: van naïeve zekerheid, via vertrouwen in een God die het ‘reëel bestaande onmogelijke’ is (Erik Borgman), tot de terughoudendheid waarin ik mezelf herken: de bidder als een mens die naar betekenis, inzicht en uitzicht op zoek is (4).

Leessuggestie: de roman over zelfkennis en wijsheid van Hermann Hesse, ‘Narziss en Goldmund: een vertelling’, oorspr. 1930.

Johan Goud
emeritus-hoogleraar en -predikant

 

Bronnen:
1 Marc De Kesel, Het godstrauma. Lacan, religie & moderniteit (2018) 33.

2 Ik ontleen het verhaal aan J.F.Staal, Advaita and Neoplatonism. A Critical Study in Comparative Philosophy (1961) 233.

3 Ik citeerde deze gedichten ook in ‘Bijna niets. Essay over wat stilte doet’, in: Liter 100 (december 2020) 74-80.

4 Zie de aan het gebed gewijde paragrafen IB-C in Erik Borgman, Alle dingen nieuw. Een theologische visie voor de 21ste eeuw, 2020.

 

Zie ook