Paneldiscussie ‘Waar en wanneer heb je God voor het laatst ontmoet? En hoe zag die ontmoeting er uit?’

Paneldiscussie ‘Waar en wanneer heb je God voor het laatst ontmoet? En hoe zag die ontmoeting er uit?’

Het remonstrantse discussiepanel stond te trappelen om per mail weer eens een goed gesprek te voeren. Michel Peters ordende de bijdragen.

Er wordt gesputterd dit keer. ‘De stelling  komt wel heel dichtbij voor een remonstrant’ en ‘daar hebben jullie niks mee te maken’ gaan over tafel en ook een soort verontwaardiging: ‘God als een persoonlijke belevenis?? Zoiets als ‘wanneer ben je voor het laatst op vakantie geweest?’ De vraag is een provocerende. Niemand heeft God ooit gezien of ontmoet. Wie beweert van wel, heeft last van godsdienstwaanzin of is ijdel of lichtzinnig’, meent Rachel.

Wij voeren eigenlijk geen discussie dit keer. Iedere deelnemer aan het gesprek probeert hakkelend en stotend aan te geven wie of wat God eigenlijk is. Daar komen geen grote woorden uit, maar zoekende en aarzelende typeringen. Een prachtige zoektocht, dat wel. ‘Als ik jullie reacties lees, komt God juist erg dichtbij’, schrijft Jolien.

Bijbel, Liedboek en poëzie

Bijbel en Liedboek bieden gelukkig houvast. Jan schrijft, ‘Ik doel op de tekst in de Eerste Brief van Johannes die ‘mijn’ dominee, Anneke van der Velde, enige tijd geleden onder mijn aandacht bracht. ‘Niemand heeft God ooit gezien. Maar als we elkaar liefhebben, blijft God in ons en is zijn liefde in ons volle werkelijkheid geworden.’ (1 Joh.4:12). En ik denk aan het mooie lied ‘Ubi caritas et amor, Deus ibi est’ (‘Waar vriendschap en liefde is, daar is God’, Nieuwe Liedboek, 568). Rachel sluit hier naadloos bij aan: ‘Het verpleeghuis waar ik werk, met zijn kwetsbare mensen, is een plek waar die sporen van God vaak te vinden zijn. ‘Midden onder u staat Hij die gij niet kent’ (Nieuwe Liedboek, 528).

Het is vaak de poëtische taal waarin we iets van God proberen te vangen, dat zijn we in deze rubriek al vaak tegengekomen. Jan citeert met instemming de tekst ‘Een stem’ van Bert ter Schegget, (predikant en hoogleraar die leefde van 1927 tot 2001).

Of God bestaat, ik weet het niet. De religie rondom ons gaat van zijn bestaan uit, vanzelfsprekend. Dat is voor mij niet zo. Als ik ze hoor spreken, komt er onverbiddelijk ongeloof in mij op.

Toch is er iets anders in mijn leven: een stem die enerzijds binnen in mij is en die anderzijds eigenlijk tot mij komt. Ik kan die stem in ieder geval niet vereenzelvigen met wat ik zeg of denk, hoop en vrees. Het is niet zo duidelijk, het is meer een zachte fluistering vanuit een verborgen stilte. Maar het is een stem getuigend van licht, dat mij trekt. Ik kom in beweging naar vrede toe, recht, vrijheid en gemeenschap.

Het is een stem ‘die de stilte niet breekt’, zo zacht en innig, maar tegelijkertijd onweerstaanbaar. Die bindende stem noem ik – door de bijbel geleerd – God. Hij is weerloos tegen elke ontkenning, ook die van mij (en dat is goed), maar Hij laat mij niet los. Hij boeit mij, bemoedigt en troost mij. Ik leef op zijn adem.

God gebeurt overal

Rachel schrijft: ‘Er is een tijd geweest dat ik er intens naar verlangde om God te ontmoeten. Het was een tijd van grote angst en onzekerheid. Naarmate ik ouder word raak ik wel steeds ontvankelijker voor ‘sporen van God’. Dat is geen zaak van het verstand, maar van het hart in combinatie met een innerlijk kompas. Ontvankelijkheid en verwondering over wat ons toevalt en geschonken wordt. Ik ben gevormd door de poëtische taal van bijbel en liedboek, ik wil en kan geloven dat God ons ‘rakelings nabij is’ (lied 528). Soms voel ik dat ook zo. Waar barmhartigheid en liefde is, daar is God. Dankjewel Jan.

Tot een ontmoeting is het dus nog nooit gekomen hoezeer ik daar ook naar verlang. Ik ben een zoeker naar God. Ik train mijn ogen, oren en handen en ik oefen mijn aandacht om me af te stemmen op de juiste golflengte. God gebeurt overal, maar laat zich niet vangen of vastgrijpen. Om die reden kost het moeite om over deze dingen te schrijven.’

God ontmoeten in solidariteit met de armen

Christian vat de vraag met gretigheid aan. In de Berlijnse salons die hij organiseert wordt regelmatig over dit soort theologische en filosofische vraagstukken gesproken. ‘Laten we de vele goden en afgoden in deze wereld maar laten voor wat ze zijn (geld verdienen, consumptie) en ons concentreren op de God van de profeet Jezus. Lezen we nog zijn gelijkenissen? Bijvoorbeeld het verhaal van de barmhartige Samaritaan? Begrijpen we waarom Jezus de maaltijd met de vreemden en verschoppelingen zo liefhad? Zegt hij niet in zijn ’Laatste oordeel’ : God ontmoeten we in de solidariteit met de armen, de gevangenen, de zieken enzovoorts? Jezus weet: God als God kunnen wij niet ervaren. ‘Hij (‘of Zij?’) is het heldere inzicht van mensen dat ze oneindig geliefd zijn. Zo ervaar ik dat ook, God als God heb ik nooit ervaren. Daarmee bedoel ik dat God mij in de bemiddeling ontmoet, hij wordt door mensen bemiddeld, in het engagement van het leven op de manier die Jezus heeft voorgeleefd. Eigenlijk moet ik zeggen dat ik het verlangen naar God beleef in het mislukken, in het negatieve. Als ik niet in staat ben om de armen werkelijk te helpen, als ik egoïstisch ben, als ik teveel aan geld denk… De drijvende energie voor mij is daarbij de God in mij, het licht, het vuur, de goddelijke vonk, zoals Meester Eckhart die beschrijft. God ‘ontmoet’ ik dus in mij zelf, God zit in mij, maar als eeuwige energie van alle mensen ook buiten mij’.

Natuur en kunst

En de natuur dan? Of de kunst? Beleven we God daar? Nelleke stelt de vraag naar de grens tussen ontmoeten en ontroerd worden. ‘Ook ik ben gevoelig voor poëzie en toen ik onlangs ‘De moerbeitoppen ruischten’ van N. Beets herlas, ging daar een zeker Gods ontmoeten voor mij van uit. Mensen beleven soms God in de natuur, mij overkomt dat meer in de kunst. Enige tijd geleden was ik in Reims en zag aan de buitenmuur van de kathedraal het manshoge beeld van ‘L’ange souriant’, de glimlachende, bemoedigende, over de mens wakende engel. Even dacht ik aan een Godsontmoeting maar de kogel in diezelfde muur er vlak naast uit de Eerste Wereldoorlog bracht me terug op aarde’.

Christian ziet de ontmoetingen met God in de natuur of in de kunst eerder als ontmoetingen met het wonderbaarlijke, het heilige. En ook Jan beleeft de natuur anders: ‘Hoezeer ik ook van de natuur houd, ik ervaar God niet of nauwelijks in de natuur. Misschien komt dit omdat ik van huis uit natuurwetenschapper ben en te veel de neiging heb om wat ik in de natuur zie ook natuurwetenschappelijk te ervaren.’

Ruimte maken voor God

De vraag naar de grens tussen ontroering en ontmoeting is een goede, vult Rachel aan: ‘Niet elke ontroering is tenslotte een opening naar een ontmoeting met God, ook niet wanneer het een religieuze ontroering betreft. Of juist wel? In de ontmoeting met God (om die voor mij ongemakkelijke formulering toch maar even aan te houden) zit ook een dimensie van de Ander, die doorbreekt in mijn beperkte bestaan. Een ethische dimensie, door Levinas getypeerd als ‘het gelaat van de Ander’. Je ineens realiseren dat die andere mens dezelfde mens is als ik. En even kwetsbaar. Even verlangend naar liefde’. Jan herkent zich in de God die zich in mensen toont: ‘Ik ontmoet God bij tijd en wijle in mijn medemens. Evenals Rachel denk ik hierbij sterk aan Levinas die mij leerde dat je de Ander kunt ontmoeten in de ander die een appel op je doet. Ook Jezus doet zo’n appel op ons. Dit zie ik mooi verwoord in de remonstrantse geloofsbelijdenis waarin onder meer staat: Wij geloven in Jezus , een van Geest vervulde mens, het gelaat van God dat ons aanziet en verontrust….

‘Van de zanger Leonard Cohen is de prachtige regel ‘there is a crack in everything, that’s how the light gets in’’, vervolgt Rachel. ‘Christian schrijft daar ook over. Licht dat ook kan schijnen in mijzelf, als ik er ruimte voor maak of mijn kwetsbaarheid erken. Humor helpt daar erg bij, wie lacht laat het licht binnen en straalt.

God ontmoet mij daar – let wel: niet andersom! – , waar in de gebrokenheid weer eenheid komt. Waar ik eenheid breng in verdeeldheid. Waar de ander mij helpt om het uit te houden in mijn eigen verdeeldheid en beperktheid. Waar de ander en ik elkaar ontmoeten.’

En dat herkent Jolien dan weer heel sterk: ‘Net als Christian hoop en geloof ik dat God in mensen woont. Dat we de Eeuwige bij ons dragen, kunnen ervaren in onszelf en in anderen, als we er open voor staan. Het willen zien. Het mysterie willen toelaten en aandacht schenken. Het voelt bijna als heiligschennis en pretentieus dit zo te schrijven. Alsof wij het in onze macht hebben om God ‘gestalte te geven’. En toch denk ik wel dat we daaraan in ieder geval iets kunnen bijdragen. Tijd en ruimte kunnen creëren voor de ontmoeting. Een citaat dat me is bijgebleven – al weet ik de auteur niet meer: ‘bidden is als het naderen van God’. Dat spreekt me erg aan. Ik volg een meditatiecursus bij de Franciscaanse Beweging. Daar gaat het veel over ‘open aandacht’ als belangrijke stap. Eenvoudig en tegelijkertijd ontzettend lastig met alles wat ons/mij bezighoudt en afleidt.’

Michel Peters

Zie ook