Domineesdingen

Domineesdingen

Foto: Allard Willemse

Hugo de Jonge, commissaris van de Koning in Zeeland, is een van de bekendste domineeskinderen. Zijn vader was predikant, onder meer in Zeeland. De Jonge voelt zich Zeeuw. Maar hoe bepalend is zijn achtergrond als zoon van een dominee voor de manier waarop hij, met de gedrevenheid van een zendeling, zijn werk doet? Tjaard Barnard en André Meiresonne spreken hem online, terwijl hij op vrijdagmiddag door de chauffeur naar huis gereden wordt. De Jonge neemt de tijd. We staan, kunnen we zien, een kwartier stil en het gesprek wordt pas afgerond wanneer iemand op de ruit tikt en hij naar binnen moet. Hoog boven de auto wappert een grote, Zeeuwse vlag!

Ben je als kind weleens op de kansel gaan staan? ‘Natuurlijk. Dat begint vroeg als je een dominee als vader hebt. Het intrigeert. Je wilt weten hoe een preek wordt gemaakt, maar ook hoe het voelt om daar te staan. Hoe het water in het doopvont voelt, hoe de wijn van het avondmaal smaakt, hoe je het brood breekt. Dat is allemaal onderdeel van een wereld waar je als kind niet omheen kunt. Kinderen kijken nu eenmaal naar het werk van hun vader. En als je vader dominee is, dan is dat werk zichtbaar, hoorbaar, voelbaar. Dus ja, ik heb echt weleens op de kansel gestaan als kind. Niet omdat ik dacht: dit wordt mijn beroep. Zeker niet. Maar omdat het mooi is, spannend, bijna magisch. Kerken hebben iets. Dat voel je als kind al. En eerlijk gezegd: dat is nooit meer weggegaan.

Mijn vader had een gewoonte waar ik me als kind kapot aan ergerde. Waren we op vakantie, ergens in een stad, en elke kerk waar we langs liepen, moest hij naar binnen. Even kijken. Even voelen. Even stilstaan. Ik dacht: man, we zijn op vakantie, waarom doen we dit? En nu doe ik precies hetzelfde. Loop ik met mijn kinderen door een stad, de deur staat op een kier, en hup, ik moet naar binnen. Mijn kinderen vinden het net zo irritant als ik toen. Maar ja, zo werkt dat dus.’

Was het leuk om de zoon van de dominee te zijn? ‘Laat ik daar eerlijk over zijn. Het is niet alleen maar romantiek. Het is helemaal niet zo leuk. Je leeft in een glazen huis. Dat gevoel heb je althans. Dat iedereen op je let. Dat van jou net iets meer wordt verwacht. Dat je je beter moet gedragen dan de rest. Nou, dat was niet mijn sterkste kant. Ik had daar geen talent voor. Integendeel. Het riep eerder een soort recalcitrantie in me op die eerlijk gezegd nooit helemaal is verdwenen.

Waarom zat dat glazen huis je zo dwars? ‘Ik ben opgegroeid in verschillende plaatsen, maar Zaamslag (Zeeuws-Vlaanderen) is voor mij het meest bepalend geweest. Daar haalde ik kattenkwaad uit met vriendjes. Bessen tegen ramen schieten, of het liefste erdoorheen, dat soort werk. En dan kwam er een boze mevrouw naar buiten en die zei: Jou ken ik wel, jij bent de zoon van de dominee. En voordat ik thuis was, had mijn vader het al gehoord. Dat is dat glazen huis. Dat je nergens anoniem bent. En catechisatie bij je eigen vader… dat is ook een ervaring. Als het saai was – en dat was het soms – dan had ik het gevoel dat mensen mij aankeken, alsof ík daar verantwoordelijk voor was. Alsof ik er iets aan kon doen. Dus nee, het is niet alleen maar leuk. Maar tegelijkertijd krijg je ook iets mee wat je later pas gaat waarderen.

Wij hebben het er wel eens over, mijn broers en ik. De een is hoogleraar, de ander kunstenaar en mensenrechtenactivist, ik ben de politiek ingegaan. En toch doen we eigenlijk allemaal hetzelfde: verhalen vertellen, onderwijzen, mensen bij elkaar brengen. Dat zijn domineesdingen. Dus ja, de appel valt niet ver van de boom.’

Is dat dan een roeping? ‘Ik zou dat zelf niet zo snel zeggen, daar ben ik te nuchter voor. Maar er zit wel iets van waarheid in. Het is ook gewoon leuk om te doen. Ik heb eens voor de remonstranten in Rotterdam een preek mogen maken, Twee op de kansel. Dat is prachtig werk. Het kost verschrikkelijk veel tijd, maar het dwingt je om je gedachten te ordenen. Om na te denken: wat wil ik de mensen meegeven? Dat doe ik in mijn werk eigenlijk voortdurend. Minister zijn of commissaris, je bent toch ook een beetje dominee. Je staat voor een zaal en denkt: wat hebben deze mensen nodig? Wat zet ze in beweging? Wat raakt ze? En dan maak je een verhaal.’

Hoe maak je je verhaal dan? ‘Soms met hulp, soms uit je hoofd, soms met een paar steekwoorden. Maar altijd met diezelfde intentie: iets meegeven.En ik heb ook geleerd: een verhaal dat niemand boos maakt, is geen goed verhaal. Als er geen randje aan zit, als niemand zich ongemakkelijk voelt, dan zet je niemand in beweging. Dat heb ik geleerd in Rotterdam, toen ik een zaal vol schoolbestuurders toesprak. Na afloop waren ze boos en ik zat daar nogal mee. Toen zei Marco Pastors me: Als niemand boos wordt, heb je kennelijk niets gezegd dat ertoe doet.’

‘In de coronatijd was er veel boosheid, wat doet dat met je? Die boosheid die soms ook uitmondde in heftige bedreigingen aan jou en je gezin. ‘De coronatijd was met geen enkele tijd vergelijken. Boosheid was niet aan de orde van de dag. Je kunt niet de weg van de minste weerstand kiezen. Dan doe je je werk niet. Je moet telkens bedenken: voor wie sta ik hier? Wie wil ik beschermen? En wat betekent dat aan weerstand die ik moet incasseren?’

Heb je toen iets gehad aan het geloof waarmee je bent opgegroeid? ‘Het helpt om een anker te hebben. Voor mij is dat het geloof. Die tekst van Paulus: in eigen gemoed ten volle verzekerd (Romeinen 14: 5). Dat is voor mij belangrijk. Dat je, ondanks twijfel, toch overtuigd bent dat je doet wat je moet doen. En dat je erop vertrouwt dat je dat niet alleen doet. Dat er Iemand met je meegaat. Dat heeft me gedragen, zeker in die periode. En dat probeerden we ook aan onze kinderen mee te geven. Want voor hen was het misschien nog wel zwaarder dan voor ons. Zij zaten midden in hun puberteit en kregen alles over zich heen. Op school, op social media. Ze moesten zich verantwoorden voor wat hun vader deed. Voor mijn kinderen – stevige pubers – was die tijd zwaarder dan voor mij. Zij kregen alles over zich heen. Wat ik had als domineeskind, hadden zij als kinderen van een minister. Alleen veel heftiger. En toch hebben ze zich daar ongelooflijk dapper doorheen geslagen. Ik bewonder ze daar echt om.’

2026. 27 maart 2026. Adrem april. Commissaris vd Koning Zeeland. Hugo de Jonge.
Photo: Allard Willemse (naamsvermelding verplicht)

Hoe begeleidde je je kinderen daarbij? ‘We hebben daar in het gezin veel over gesproken. Ook over de boosheid van mensen. Dat die soms invoelbaar is. Dat mensen gefrustreerd zijn. Dat ze iemand zoeken om dat op af te reageren. En dat jij dan die persoon bent. Dat maakt het niet goed, maar wel begrijpelijker.’

Als je er begrip voor hebt, raakt het je dan minder? ‘Natuurlijk raakt het je. En dat moet je ook laten gebeuren. Je moet je willen laten raken. Anders word je hard. Maar je moet er niet door verlamd raken. Dat is de balans. Je moet nieuwsgierig blijven naar waarom mensen zeggen wat ze zeggen. Wat erachter zit. Welk verhaal. Misschien is dat wel het meest domineesachtige van mijn werk. Luisteren, richting geven en proberen mensen mee te nemen in een dilemma. Want er is zelden maar één perspectief. Zeker in de coronatijd niet. Er waren mensen die meer last hadden van de maatregelen dan van het virus zelf. Dat is ook waar. En daar moet je oog voor hebben, ook als je uiteindelijk dezelfde beslissing neemt.’

Hoe kijk je terug op je jeugd als zoon van een dominee? ‘Het was soms ingewikkeld, soms irritant, soms oneerlijk. Maar ik heb ook iets heel waardevols meegekregen. Mijn ouders hebben het geloof voorgeleefd. Niet alleen in woorden, maar in daden. De toewijding van mijn vader, zijn trouw in het pastoraat. De inzet van mijn moeder in allerlei vrijwilligerswerk voor mensen die hulp nodig hadden. Dat idee dat niemand tevergeefs een beroep op je mag doen. Dat is misschien wel de kern. Dat is wat is blijven hangen. En misschien ben ik, meer dan ik lang heb willen toegeven, meer en meer op mijn vader gaan lijken.’

Tjaard Barnard (hoofdredacteur AdRem) en André Meiresonne (dominee voor de Ongelovigen)

Wie is Hugo de Jonge (1977)

Hugo de Jonge begon zijn loopbaan in het onderwijs als basisschoolleraar en adjunct-directeur. Op de PABO had hij muziekles van de cantor-organist van de Remonstrantse Gemeente Rotterdam, Kees Glaubitz. Glaubitz strikte hem om mee te zingen in diensten waarin cantates van Bach werden gezongen. Zo kwam hij, hoewel zelf orthodoxer in het geloof staand, met enige regelmaat in de Arminiuskerk.

In 2004 stapte hij over naar de landelijke politiek als beleidsmedewerker voor het Christen-Democratisch Appèl en werkte daarna op het ministerie van Onderwijs. In 2010 werd hij wethouder in Rotterdam, waar hij verantwoordelijk was voor onder meer onderwijs, jeugd en zorg. In 2017 trad hij toe tot het kabinet Rutte 3 als minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en was hij vicepremier. In 2022 werd hij minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, waar hij zich richtte op de woningmarkt. Vanaf 2024 is De Jonge commissaris van de Koning in Zeeland.

Wie is ds. Rien de Jonge (1948)?

Ds. Rien de Jonge was predikant binnen de PKN in de gemeenten Bruinisse, Alphen aan den Rijn, Zaamslag en Puttershoek. In 2000 werd hij samen met zijn vrouw uitgezonden door de Gereformeerde Zendingsbond naar Zimbabwe, waar hij doceerde aan de predikantenopleiding van de Reformed Church of Zimbabwe. Na deze periode keerde hij terug naar Nederland en ging met emeritaat.

Zie ook

Een statement!
11 maart 2025

Een statement!

Welke remonstrantse theologen hebben de oproep van Jan de Beer voor een humaan asielbeleid onderschreven en waarom?… Lees verder

Redactioneel De Geest
20 juni 2023

Redactioneel De Geest

In de belijdenis uit 2006 staat de Geest op de eerste plaats. Na het antropologisch vloertje is het het eerste wat opvalt. De Geest gaat vooraf. De Geest verbindt ons.. Lees verder