
Hoe was het domineeskind te zijn? Deze vraag lijkt te suggereren dat het iets bijzonders is om domineeskind te zijn. In ieder geval anders te zijn dan kind van een vader of moeder met welk ander beroep dan ook. Vond ik mijzelf als domineeskind inderdaad bijzonder of anders dan anderen?
Moeilijk om te beoordelen, vind ik, maar laat ik beginnen met kort te schetsen hoe ik opgroeide. Geboren begin jaren vijftig ben ik voor een belangrijk deel nog in een vrij traditioneel domineesgezin opgegroeid. Mijn vader was de hele week fulltime in touw, op alle mogelijke terreinen die deel uitmaakten van zijn beroep: preken, pastoraat, catechisatie, leiden van kringen, begrafenissen en huwelijken. Wel een beetje een workaholic: als hij thuis was, zat hij veel op zijn studeerkamer. Hij nam zijn werk heel serieus. Naast het feit dat mijn moeder als vanzelfsprekend geacht werd alle vrouwenactiviteiten binnen de gemeente te leiden (dat was zeker in de jaren vijftig/zestig nog het geval), runde zij het huishouden, in alle opzichten. Dat was ook nodig, want van mijn vader viel op dit laatste terrein weinig tot niets te verwachten. Zij vulden elkaar zo heel goed aan, maar het was natuurlijk niet een erg geëmancipeerde taakverdeling. Voor mijzelf kwam dat er op neer dat mijn vader mij op zijn studeerkamer zo nodig helpen kon bij een Griekse vertaling en dat mijn moeder voor alle andere zaken aanspreekbaar was. Wat overigens niet wil zeggen dat mijn vader geen belangstelling voor zijn kinderen en later kleinkinderen had. Ook was de zondagmiddag bij uitstek een moment van ontspanning, zeker na een drukke kerstweek. Pas veel later besefte ik dat ik niet helemaal in een doorsnee gezin opgroeide. Maar het was warm, open en ruimdenkend.
Geen dwang
Zoals gebruikelijk bij veel vrijzinnig-protestantse (dominees)kinderen ging ik naar openbare scholen. De godsdienstige dimensie kwam in de kerk en, in mijn geval, ook thuis voldoende aan de orde. Zo was ik mij er al gauw van bewust dat mijn vader een speciaal beroep had, wanneer ik dat vergeleek met vaders en moeders van vriendjes en klasgenoten. Last heb ik daarvan eigenlijk nooit gehad. Ook was de pastorie bij ons zeker geen glazen huis. Daar komt nog bij dat ik in mijn persoonlijke (godsdienstige) vorming volstrekt vrij gehouden ben en dat er nooit enige dwang op mij is uitgeoefend, zoals bijvoorbeeld kerkbezoek. Waarschijnlijk mede daardoor heb ik nooit gerebelleerd. Kwam deze grote vrijheid nu omdat mijn vader, die overigens zelf ook een remonstrants domineeskind was, een remonstrantse dominee was? Ik heb het idee van wel; uit de verhalen van domineeskinderen van andere protestantse denominaties, vooral uit de meer orthodoxe hoek, zie ik vooral op dit punt verschillen. Naast overeenkomsten op andere punten.
Echter, anders dan bijvoorbeeld Freek de Jonge (in Land van domineeskinderen) die, eenmaal los van huis, behalve om toeristische redenen nimmer meer een kerk van binnen gezien heeft, ben ik kerken blijven bezoeken en niet alleen als toerist. Het bezoeken van kerken zat er sowieso bij ons al vroeg in, aangezien wij bij vakanties altijd buitenlandse kerken binnenliepen, of we nu wilden of niet. Alleen, toen ik ging studeren heb ik mij bewust een tijdje verre gehouden van de plaatselijke remonstrantse gemeente, maar later heb ik mij toch bij de Leidse gemeente aangesloten, waar ik nog steeds actief ben.

Bescheidenheid
Hoe heeft dit alles mij gevormd? Heb ik er voor- of nadelen van ondervonden? In ieder geval heeft het bij mij geleid tot een zekere mate van bescheidenheid: niet ergens vooraan gaan zitten in een zaal bijvoorbeeld, iets wat ik nog steeds niet graag doe. Wij, mijn moeder, mijn broer en ik, zaten in de kerk van mijn vader altijd op rij 9. Dat was ook wel prettig, want soms meende mijn vader een humoristische opmerking in de preek in te moeten lassen door te citeren wat mijn broer of ik kort daarvoor aan tafel over een bepaald onderwerp gezegd hadden, hetgeen – soms – tot een daverend gelach om ons heen leidde. Vooral mijn broer kon daar slecht tegen.
Nadelen: nauwelijks. Voordelen? Het opgroeien in een bijzondere pastorie, zeer fraai gelegen in het groene deel van Arnhem, heb ik als een voorrecht ervaren. Een ander voordeel, dat doorgewerkt heeft, was dat mijn moeder in een zeer vroeg stadium een afwasmachine aanschafte, dit vooral vanwege de vele kringen aan huis. Voor mij was dit iets vanzelfsprekends om ook te doen toen ik getrouwd was. Wij zijn overigens door mijn vader zelf getrouwd.
Concluderend: was het bijzonder domineeskind te zijn? Ja, dat was het, in positieve zin.
Heiko Tjalsma (1951)
Lid van de Remonstranten in Leiden
Ds. Douwe Tjalsma (1923-2005) was remonstrants predikant in Leiden (1950-1951), Groningen (1951-1958) en Arnhem (1958-1988). In 1988 ging hij met emeritaat.

Ik ben de jongste dochter van ds. Adriaan Mari van Peski (1925–2002) en Klasina Arina van Peski – van der Hucht (1937–2008). Mijn vader was fulltime predikant in de Remonstrantse.. Lees verder

Mam! Weet je wat iemand vandaag tegen me zei: Hoe kan het nou dat jij niet in God gelooft! Je moeder is toch dominee? Verbijsterd over deze vraag kwam mijn.. Lees verder