Zeg gewoon wat je bedoelt

Zeg gewoon wat je bedoelt

Op 11 mei 1911 kwam ze ter wereld in de pastorie van de Nederlands Hervormde kerk van Kapelle (Zeeland), Anna Maria Geertruida Schmidt. Als dochter van een dominee onderscheidde ze zich in veel van de andere kinderen in het dorp. Het Zeeuwse dialect zou ze zich nooit eigen maken; haar moeder kleedde haar nogal stads (ponyhaar en hoedje), ze was mollig en bovendien verlegen. Het grootste deel van haar jeugd vertoefde ze in dat grote sombere huis tegenover de kerk, onder de vleugels van haar moeder die haar veel en vaak voorlas en liedjes met haar zong. Een mooi fundament voor haar latere schrijverschap. Al vroeg in haar carrière vertelde Annie dat ze kon lezen voor ze kon lopen. Wat? Alles. Rijp en groen, maar ’t meest groen.

Lekkere krummels voor kleine hummels moet ze wel honderd keer verslonden hebben. De plaatjes van Rie Cramer en Daan Hoeksema vond ze akelig. Net zo levenloos als de boeken van J.B. Schuil en meisjesboeken met zinnetjes als Ze lachten en grapten tot de anderen zich bij hen voegden.

Van de zondagsschool kwamen er op gezette tijden dikke, christelijke boeken in slappe, gele omslag. ‘Die gingen over ketters die werden verbrand. Eerst gemarteld, daarna de brandstapel op. Er was ene Wijntje die psalmen zong tot het laatste toe. Haar voeten waren al verkoold, heur haar was afgeschroeid, een laatste halleluja voordat het vuur het zakje buskruit op haar borst bereikte, een korte knal en haar ziel vlood in de armen van haar Heiland.‘ En verder waren er de avonturenboeken als Robinson Crusoë, De scheepsjongens van Bontekoe, de boeken van Jules Verne.

Leeshonger

De klassieken uit de wereldliteratuur leerde ze kennen via de rode tiencentsboekjes: bewerkingen van de Odyssee en de Ilias, toneelstukken van Shakespeare, Gullivers reizen en de Griekse sagen. En dan was er de studeerkamer van haar vader ‘zoekend in zijn boekenkast naar een mals groen blaadje tussen al die dorre ritselende bruine Vondels en Calvijnen en woordenboeken. Ik vond zo zelden iets wat ik kon lezen, en ik had zo’n knagende leeshonger, zo’n nooit verminderende, nooit ophoudende leeshonger.’

Als ze haar ouders iets kwalijk heeft genomen dan was het wel dat ze niet eerst vijfhonderd boeken voor haar kochten alvorens lakens, theedoeken, paraplu’s en juskommen aan te schaffen. ‘Ik weet wel, ze hadden maar een klein traktement, ze moesten ploeteren om rond te komen, maar ze beseften niet hoe mijn hoofd knorde om meer voedsel. Ergens blijf ik het een misdaad vinden en ik richt een bestraffende vinger tegen al die ouders die eerst een bowlstel kopen en dan pas kinderboeken. Leeshonger is even erg als iedere andere honger en ik zal nooit vergeten hoe ik daar langs die boekenplanken liep te speuren, snakkend naar iets zonnigs tussen al het doffe gebladerte der theologie. Ik was twaalf. De kleine Johannes had ik allang uit, Faust van Goethe ook en alle afschuwelijk melige his­torische romans van Marjorie Bowen en Ferdinand Huyck.‘

Anders dan bij Jan Wolkers of Freek de Jonge heeft de taal van haar vader (de bijbel) minder invloed op haar gehad. Misschien ook omdat haar vaders houding tegenover het geloof zo tweeslachtig was. Als dominee van een tamelijk kleine gemeente had hij weinig om handen: twee preken per week, de catechisatie en het bezoeken van zieken en stervenden. En zo ontpopte ook hij zich tot een verwoed lezer. Detectives voor z’n ontspanning en verder vooral Hegel, Kant, Nietzsche, Darwin, Freud, Schopenhauer en Ibsen. De denkbeelden van deze filosofen leverden een eigenaardig soort geloof op. Het geloof in Jezus Christus dat hij van de kansel verkondigde versus het vertrouwen in de juistheid van de evolutietheorie. Van de verwarring die deze tegenstrijdigheden veroorzaakten kon hij in zijn preken natuurlijk niets laten merken. Dat zou hem zijn baan hebben gekost.

‘Iedereen zei dat hij zo mooi preekte, maar ik vond zijn preken vreselijk: saaie, lange verhalen. Je kreeg een tekst te horen die telkens herhaald werd en waar een hoop omheen geluld werd. Ik dacht altijd: waar heeft dat nou voor nodig? Zeg gewoon wat je bedoelt, dan zijn we klaar en kunnen we weer naar huis.’ De schoonheid van de tale Kanaäns, van de psalmen en de gezangen was aan haar niet besteed. Misschien omdat ze de hypocrisie van haar vader doorzag? Aan tafel werd al spoedig niet meer gebeden, het voorlezen uit de bijbel stopgezet.

En dan was er nog het onheil van bezoekende dominees. ‘Ik was een meisje van dertien en flink uit de kluiten gewassen met boezems en zo. Er waren er zeker drie die hun handen niet van me af konden houden of me achterna zaten door de kamer. Daar had ik zo vreselijk de pest aan.’

Het waren ervaringen die het vertrouwen in het geloof van haar vader en liefde voor de taal van de bijbel onmogelijk gevoed kunnen hebben.

Joke Linders

Joke Linders is de oprichtster van uitgeverij Schaep14 en auteur van diverse biografieën van kinderboekenschrijvers, waaronder haar proefschrift Doe nooit wat je moeder zegt, over Annie MG Schmidt.

Zie ook

Religieus, humanistisch en pacifistisch
26 mei 2026

Religieus, humanistisch en pacifistisch

Hoe was het om domineeskind te zijn? Meestal niet zo bijzonder en ook niet erg zichtbaar. Behalve mijn eerste jaren in Oosterbeek heb ik nooit met mijn ouders in een.. Lees verder

Dat klopt, dat was mijn vader
26 mei 2026

Dat klopt, dat was mijn vader

Ik ben geboren in Boskoop, maar op zeer jonge leeftijd in 1951 naar Rotterdam verhuisd, waar mijn vader Johan Laforêt ruim dertig jaar verbonden is geweest aan de remonstrantse gemeente… Lees verder