
In het vorige nummer van AdRem schreef Irene Constandse een artikel over de door haar samengestelde tentoonstelling In the Name of Love in het Catharijneconvent in Utrecht. De titel van het artikel was Naastenliefde in beeld. Naastenliefde is een van de vijf thema’s van de expositie met werken uit eigen bezit van het museum of die in langdurige bruikleen zijn gegeven. De andere thema’s zijn familie, relaties, lichamelijkheid en spirituele liefde. Peter Fransman bezocht de tentoonstelling voor ons en concentreerde zich dit keer juist op de romantische en lichamelijke liefde.
Elk thema vertrekt vanuit een hedendaags of modern kunstwerk dat een interessante dialoog aangaat met werken uit verschillende andere tijden. Maar dat is niet de enige gelaagdheid in de tentoonstelling. Ook de titels van populaire muzieknummers uit de hedendaagse popcultuur spelen een rol in de duiding die de samensteller aan de thema’s wil geven. Er is zelfs van deze nummers – waarvan strofen en titels op de muren van de tentoonstellingszalen zijn weergegeven – een playlist gemaakt die op Spotify is terug te vinden. Onder de titel Liefdesbrieven aan God zijn deze op de streamingdienst beschikbaar.
De tentoonstelling reikt de bezoeker kapstokken aan om na te denken, parallellen te zoeken, verhalen te ontdekken en te reflecteren op verhalen uit de bijbel. Maar ook om te reflecteren op zijn of haar eigen kennis, mening, normen, waarden en innerlijke emoties. Het museum is daarin goed geslaagd en zeker bij het neutraal benoemde thema lichamelijkheid komt dit sterk naar voren. Dit nummer van AdRem gaat over de lichamelijke liefde. In de zaal van het museum waar dit onderwerp wordt behandeld, is naast de beeldende kunst ook een audio-opname te horen van vrouwen die over hun seksualiteit spreken, hun intieme verhalen vertellen en hun ervaringen delen. Dit is geen voetnoot bij de tentoonstelling, maar juist een kern, waarbij we als het ware in het hoofd kijken van iemand die ter plekke naast je had kunnen staan bij het bekijken van de tentoonstelling. De vrouwen vertellen met een persoonlijke geladenheid over zaken die misschien niet eens uitgebeeld hadden kunnen worden. Zij reiken hun belevingen en emoties aan: van handen die elkaar strelen, van een voorzichtige knuffel tot en met een poging tot gedwongen seks. Over grenzen die gerespecteerd worden of juist niet. ‘Bij seks moet de liefde hand in hand meewandelen; zonder dat gaat het helemaal nergens over.’ Maar ook vragen komen aan bod: ‘Is mijn seksualiteit van mij, of ervaar ik God in mij?’ Een vrouw spreekt bovendien over het feit dat veiligheid hét onderscheid is: geloof, cultuur, opvoeding en familie – vrouwen houden rekening met alles en iedereen, maar met respect voor jezelf bepaal je zelf wat goed voor je is. Deze persoonlijke verhalen reflecteren sterk op wat er in dit deel van de tentoonstelling te zien is, maar zouden ook de stemmen van vrouwen uit de bijbel kunnen zijn.
Het hedendaagse kunstwerk dat als uitgangspunt werd genomen binnen het thema lichamelijkheid, Salome No. 1 van René van Tol, verhaalt van koning Herodes die tijdens zijn verjaardagsfeest zijn stiefdochter ziet dansen en haar belooft te geven wat zij maar wil. Dit naar aanleiding van de begeerte die hij ervaart bij het zien van haar dansende lichaam. Op aandringen van haar moeder vraagt zij het hoofd van Johannes de Doper (Marcus 6: 14–29). In feite gaat het hier over drie machten: die van de absolute macht en rijkdom van de heerser, de macht van lichamelijkheid en jeugd en de macht van de manipulerende en politiek opererende moeder.

Het menselijk lichaam is in de westerse kunst een geliefd onderwerp. Bijbelse verhalen over overspel, lust en ontrouw dienen als waarschuwingen, maar boden kunstenaars ook de gelegenheid om naakte vrouwen af te beelden. Zo ook het lichaam van Salomé. Het toont op meerdere manieren hoe vrouwen geregeld slachtoffer zijn van begeerte en misbruik, zoals bijvoorbeeld Susanna, die door twee ouderlingen bespied wordt. Zij proberen haar te chanteren zodat zij met hen zal slapen (Daniël 13). Maar het kan ook andersom, want ook vrouwen kunnen zich in de bijbel te buiten gaan. Zo is het kleinste object in de tentoonstelling een zilveren broeksknoop uit de tweede helft van de 18de eeuw.

Daarbij is het de bedoeling dat de drager de knoop niet gebruikt, zodat de broek gesloten blijft wanneer de eigenaar in een overspelige situatie terechtkomt. Zoals Jozef die door de vrouw van Potifar wordt belaagd (Genesis 39). In het reliëf van de knoop is te zien hoe de vrouw Jozef naar zich toe trekt met de bedoeling het bed met hem te delen. Meer expliciet is dit te zien in de tentoonstelling bij het werk van Pieter Coecke van Aelst uit 1540. Niet alleen is de vrouw onkuis gekleed, ook de omgevallen kruik, kandelaar en gebroken kaars staan in de zestiende-eeuwse iconografie symbool voor geslachtsorganen en (mislukte) verleiding. Lichamelijk verlangen en kuisheid worden hier naast elkaar gezet: de agressieve aanval van de sensuele vrouw met haar luxe, maar nauwelijks verhullende kleding, in de nabijheid van haar weelderige bed – symbool van moreel verval – en de geïdealiseerde, geschilderde Jozef die met grote haast de ruimte verlaat.

Toch wordt het thema lichamelijkheid niet alleen behandeld als onderwerp van seksualiteit. Ook wordt ingegaan op de manier waarop het lichaam van Christus in de loop der eeuwen werd afgebeeld, waarbij zijn lichaam en zijn lijden de beleving van devotie dienden. Jezus werd daarom vaak afgebeeld als slank, wit en met regelmatige trekken, zoals dat eeuwenlang gold als westers schoonheidsideaal. Tegenwoordig stapt men steeds vaker van dat beeld af. In de tentoonstelling is dan ook het schilderij Jesus Christ te zien van Kenneth Aidoo uit 2025.

De kunstenaar beeldt Christus hier af als een man uit het Midden-Oosten met een donkere huid en een zachte blik, maar op een manier die verwijst naar orthodoxe iconen. Dit wordt versterkt door het gebruik van rood en goud op de achtergrond en door het centraal stellen van het aangezicht van Christus met een recht vooruitkijkende blik. Aidoo (1988) is een veelzijdige kunstenaar die zich verdiept in de positie van mensen van kleur in de maatschappij. Met dit werk verdiept hij zichzelf ook in een historisch perspectief. Opnieuw wordt de bezoeker geconfronteerd met de gelaagdheid van deze tentoonstelling. Steeds vindt er een wending plaats die de bezoeker meeneemt in de veelzijdigheid van de liefde en die hem of haar op een zachte manier dwingt om zelf positie in te nemen. Dat het onderwerp te groot is voor één tentoonstelling realiseren de makers zich terdege. Aan het einde vragen zij de bezoekers een kaart in te vullen met een onderwerp dat in deze tentoonstelling ontbrak. De antwoorden waren zeer divers, van flauwe opmerkingen tot inspirerende wensen, maar zij tonen aan dat de meeste bezoekers graag een vervolg zouden willen zien.
Peter Fransman
Kunsthistoricus, remonstrant in Rotterdam
De tentoonstelling In the Name of Love is nog te zien tot 1 maart 2026 in Museum Catharijneconvent in Utrecht. Meer informatie vindt u op www.catharijneconvent.nl.
Bijschriften afbeeldingen:
De taakgroep Personeel & Gemeenten (P&G) staat met beide benen in het werk in de kerk. Het is een taakgroep die onder de CoZa functioneert. Een centraal punt, waar plaatselijke en landelijke ontwikkelingen bij elkaar komen… Lees verder
Naast de ‘vernieuwingsplekken’ die door de landelijke organisatie worden betaald en begeleid, is er in andere gemeentes ook sprake van projecten en activiteiten die je ‘vernieuwend’ kunt noemen. In een serie gesprekken komen ze langs. Vandaag Arnhem… Lees verder