
“Groter goed dan het léven is uw vriendschap.” Zo staat het in Psalm 63, volgens de mooie en nauwkeurige Naardense vertaling. De dichter David riep het uit, terwijl hij, zo lezen we, in de levensvijandige omgeving van de woestijn verbleef. Het Hebreeuwse woord chèsèd dat hier gebruikt is, wordt elders ook als ‘genade’ of ‘goedertierenheid’ vertaald. Een kernwoord is het. Als mensen willen uitleggen wat ze met ‘God’ bedoelen, hoe die werkelijkheid aanvoelt, dan is het precies dat: ruimte, aanvaard zijn, lovingkindness zegt een Engelse vertaling. Vriendschap.
Wat is het, vriendschap? Volgens het Johannesevangelie noemde Jezus zijn leerlingen ‘vrienden’. Hij nam daarmee een term op waaraan klassieke denkers: Grieken, Romeinen, maar ook vele denkers na hen, grote waarde hechtten. Aristoteles schreef dat vriendschap gelijkheid veronderstelt en het gezamenlijk gericht zijn op een hoger ideaal. Ware vrienden zijn uit op elkaars bevrijding – ook dat hoort erbij. Vrienden willen elkaar sterker en vrolijker maken. Zij kennen de Mitfreude die geen jaloezie kent, die blij is met de blijden en zich dienstbaar maakt aan de levensvreugde van anderen.
Misschien is dat allemaal te hoog gegrepen. Paul van Tongeren komt na een kritische bespreking van deze en andere visies (in Doodgewone vrienden, 2021) uit bij een pleidooi voor “doodgewone vriendschap”, één die hooggestemde idealen achter zich laat en ervoor kiest om de vriend niet alleen te laten zijn. Die tot de kern teruggebrachte omschrijving spreekt me aan. Vrienden willen elkaar niet alleen laten.
Daarop komt het aan in je eigen vriendschappen, met mannen, met vrouwen, met wie dan ook. Dat je samen lacht en huilt, samen ernstig bent, elkaar ter wille bent, van mening verschilt “zonder haat – alsof je het oneens was met jezelf” (Augustinus).

Misschien is het ons grote probleem wel, dat we tot die eenvoud van de vriendschap dikwijls niet meer in staat zijn. Omdat we ons laten meeslepen door de overtuiging dat het echte leven veel gecompliceerder, conflictueuzer en gewelddadiger is.
Hannah Arendt stelde in mei 1948 – vlak voor de oprichting van de staat Israël – verdrietig vast, dat politiek zowel aan joodse als aan Arabische zijde een zaak van terroristen was geworden. Vanuit de omstandigheden van nu, ruim 75 jaar later, kun je haar verdriet alleen maar delen. Alles hangt af van de vraag, zo schreef ze, of er vriendschap wordt gesloten. De VN zouden de moed moeten opbrengen “tot een stap zonder precedent door aan te kloppen bij joodse en Arabische personen die op dit ogenblik geïsoleerd zijn vanwege hun staat van dienst als mensen die oprecht geloven in Arabisch-joodse samenwerking, en hun te vragen om te onderhandelen over een wapenstilstand.”
Het is een onvergankelijke droom, en ook een waagstuk: te durven leven in de geest van die psalmregel: Groter goed dan het léven is de vriendschap.
Van 18 tot 20 mei leidt Johan Goud samen met dr Yvonne Hiemstra een retraite over Vriendschapin het Woodbrookershotel te Barchem. Bij voldoende belangstelling volgt eind oktober een tweede editie van deze retraite. Lees meer. Opgave en inlichtingen bij het Landelijk Bureau