14 januari 2016

De preek van de week: mijn God laat zich niet kennen

Geschreven door Christa Anbeek
Verdieping Foto: Aram Goudsmit De preek van de week: mijn God laat zich niet kennen

De afgelopen weken heb ik met enige spijt geconstateerd dat ik mij in een onmogelijke positie heb gemanoeuvreerd door een kerkdienst aan te nemen in het kader van een reclamecampagne. De serie ‘De preek van de week’ is bedoeld om mensen nieuwsgierig te maken naar wat er zoal leeft bij remonstranten. Misschien bent u hier zelf wel omdat u zo’n reclamespotje op de radio hebt gehoord. De preek van de week duurt zes zondagen en gaat over zes reclame-uitingen waarvan ook posters op stations hangen: mijn God begon met de oerknal; mijn God schiep eerst de dieren; mijn God laat vrouwen voorgaan; mijn God laat zich niet kennen; mijn God gelooft in mij; mijn God kan tegen een grapje. U kunt het zich misschien niet voorstellen, maar deze min of meer eenvoudige uitspraken zijn, voordat ze de ether in geslingerd worden, onderwerp van uitgebreide discussies: hoe kunnen wij iets typisch remonstrants tot uiting brengen, dat tegelijkertijd een grote groep zal aanspreken.

Als hoogleraar remonstrantse theologie, met een werkkamer op het landelijk bureau zit ik midden in het epicentrum als het gaat om de wordingsgeschiedenis van de reclamecampagne. Zo was ik als een van de eersten op de hoogte van de nieuwe raadselspreuken. Een soort koans zijn het, net als in de zen-boeddhistische traditie – uitspraken en gezegden die je ontregelen en waar je je toch toe moet zien te verhouden. En ook van de preek van de week, waarmee gestreefd wordt naar een inhoudelijke verdieping van op het eerste gehoor oppervlakkige slogans. ‘Ik wil ook wel een keer meedoen,’ zei ik voordat ik er erg in had. Normaal ga ik niet in kerkdiensten voor – de decaan van de faculteit godgeleerdheid van de Vrije Universiteit Amsterdam, waar het remonstrants seminarium gevestigd is, heeft mij dit bij mijn benoeming ten zeerste afgeraden. Als je het hele land doorreist om te preken, kom je niet meer aan je wetenschappelijk werk toe, zo hield hij mij voor. Ik heb een uitzondering gemaakt voor de Geertekerk, de kerk waar ik zelf lid van ben, en het toeval wil dat die al veel eerder vastgelegde datum midden in de reclamecampagne valt.

Mijn God laat zich niet kennen

Dicht bij het vuur koos ik gelijk de reclamespreuk die mij het meest aansprak: mijn God laat zich niet kennen – en zo bepaalde ik, zonder dat ik er erg in had mijn onmogelijke lot. Want hoe kun je nu iets zeggen over een God die zich niet laat kennen? Ik kan hier nu ook niet met goed fatsoen gaan beweren dat God zich wel laat kennen, dan voelt u zich helemaal door een reclamecampagne erin geluisd. Op grond van wat vage schetsen van mijn kant werd de tekst van het reclamespotje: “Hallo ik ben Christa Anbeek van de remonstranten en mijn God laat zich niet kennen. Daarom gaat mijn preek over een God die mij niet hoort en ziet. Laat daarom zien wie je zelf bent. Praat er zondag over mee en kom naar de Geertekerk.”

Mijn God laat zich niet kennen

Mijn God laat zich niet kennen, maar wij kunnen onszelf aan de ander laten zien – in onze kwetsbaarheid en verdriet en medemenselijkheid.  Lees verder

Een reclamespotje is één ding, nu de preek nog.

Een aantal inspiratiebronnen wil ik vandaag voor het voetlicht brengen. Allereerst las ik een aantal weken geleden de laatste serie colleges van de Franse filosoof Foucault, die gaan over waarheidspreken. Het motto van die colleges is: ‘Als de goden zwijgen en de waarheid niet langer door de goden aan mensen wordt onthuld, moet de waarheid door mensen aan mensen worden onthuld, door parresia, waarheidspreken.’ Let wel, Foucault heeft het hier over de Griekse goden, met name over Apollo het orakel van Delphi, die zwijgt over zijn eigen wandaden ten aanzien van een vrouw, Kreousa, die hij zonder dat zij het wilde bezwangerd heeft.

Waarheid is nieuw

Zij wil weten wat er met het kind gebeurd is, Apollo weet het, het kind is vlakbij, maar hij zwijgt. Bij Foucault is waarheid niet iets wat ontdekt wordt, maar iets dat nieuw is. Waarheid is niet de waarheid over het kind, maar de aanklacht van de vrouw. Waarheid geschiedt door open en vrijmoedig te spreken, vrijmoedig wantoestanden aanklagen, ook al zet je daarmee je eigen leven op het spel.

Mijn ogen druipen van de tranen en mijn hart lijdt pijn, belaagd door mensen en door goden, die ik als ondankbare verraders van vrouwen zal tonen. U hebt mij benaderd, met lokken schitterend als van goud, toen ik in de plooien van mijn jurk blaadjes van saffraan verzamelde, een gouden weerschijn van bloemen. Mijn blanke polsen omsluitend voerde u mij, de kreet ‘O, moeder’ uit schreeuwend, als goddelijke minnaar naar het bed van een grot, schaamteloos toegevend aan uw lust. Ik, ongelukkige, baar u een zoon, en uit vrees voor mijn moeder leg ik hem weg in uw bed, waar u mij, arm kind, in rampzalige liefde aan u had verbonden. O, o, nee. En nu is hij weg, door vogels gegrepen als voer, ons beider zoon, het arme kind. En u speelt op uw citer en zingt uw lied.

Er is nog een tweede deel dat bij dit waarheid spreken hoort. Een oude dienaar hoort de klacht van Kreousa en hij ondervraagt haar wat er gebeurd is. Hierdoor vertelt ze over haar eigen fouten en zwakheden (het kind achterlaten). Parrèsia is een waarheidlievende aanklacht tegen een ander die machtiger is dan zijzelf, en een bekentenis van de waarheid omtrent haarzelf.

Het zijn de onschuldigen die lijden

Onze reclamecampagne gaat niet over de Griekse goden, maar over de joods-christelijke God zoals die in de bijbel en in ervaringen van mensen zichtbaar en hoorbaar wordt. Ook deze God laat zich maar moeizaam kennen, zozeer dat anderen er gemakkelijk de spot mee kunnen drijven. Zo schrijft de Zwitsers/Engelse filosoof Alain de Botton over de klaagmuur in Jeruzalem. Deze muur is volgens hem het symbool van een God die niet hoort en niet ziet, en zich niet door bevrijdend handelen laat kennen. Sinds de tweede helft van de zestiende eeuw komen Joden bij deze muur in Jeruzalem bij elkaar om hun hart te luchten en de Schepper om hulp te vragen. Ze schrijven hun grieven op stukjes papier in de hoop dat God door hun leed tot genade bewogen wordt. De Botton ziet slechts brullende mensen die tevergeefs een lege hemel aanroepen – dit is tragisch, maar de getroffenen treuren samen. ‘De muur vormt een plek waar ons wordt onthuld wat het leed dat we anders in stilte dragen werkelijk is: een druppel verdriet in een oceaan van lijden.’ De God die zich niet laat kennen van Alain de Botton werpt ons te midden van leven en dood, lijden en onrecht op onszelf terug.

Goed, u begrijpt misschien wel dat mijn probleem steeds groter wordt. Hoe kunnen we nu in een kerk iets zeggen over een God die zich niet laat kennen? Al bladerend ging ik op zoek naar bijbelteksten die iets schrijven over een onbekende God … Mozes die God alleen aan de achterkant mag zien – Elia die God in een suizende stilte ontwaart … Toen las ik een column in NRC van de biochemicus Martijn Katan, die in een herontdekkingstocht naar zijn joodse wortels met oude vrienden het bijbelboek Job opnieuw las – het boek waarin God wel degelijk antwoord geeft, maar op absurdistische wijze: een antwoord dat geen antwoord is. De achtergrond van het verhaal van Job is de wijsheid uit Spreuken: God beloont het goede en straft het kwade. In Job wordt deze gangbare wijsheid beproefd: het is een aanklacht en een verweer – vaak zijn het juist de onschuldigen die lijden. De plot van het verhaal is als volgt:

I: God vergadert met zijn engelen. Satan komt binnen, God vertelt over Job die zo godvrezend is – geen kunst volgens Satan: als je tien gezonde kinderen en 3000 kamelen hebt. Als het Job slecht gaat zal hij God vervloeken.
II: Job is overdekt met zweren, zijn kinderen zijn dood en zijn bezit gestolen. Zijn vrouw zegt: vervloek God en sterf. Maar Job wil weten waaraan hij zijn staf verdiend heeft – hij wil gerechtigheid. Dit is tegen het zere been van zijn vrienden die beweren dat God rechtvaardig is, het goede beloont en het kwade straft: Job zal het er wel naar gemaakt hebben, zijn lijden bewijst dit. Hoofdstukken lang volgen er discussies. Job kan niet aanvaarden dat zijn lijden in enige verhouding staat tot wat hij gedaan heeft, hij klaagt God aan en daagt God uit om zelf te antwoorden. Dan spreekt God tot Job in een stormwind en neemt hem mee op een ‘kleine tour door zijn heelal’. Het antwoord gaat niet in de richting van een rationele oplossing, het is een totaal andere toon die klinkt – een overrompelend gedicht, zoals een muziekstuk overrompelend kan zijn, een reis door de verbeelding van wat ons verstand te boven gaat. Het is de kunst ons hierdoor te laten raken en zelfs te laten troosten.

(Hier komt in de kerkdienst zondag de lezing van Job 38)

Op elkaar aangewezen

De grillige schoonheid van de schepping leert Job om met nieuwe ogen naar zijn eigen grillige bestaan te kijken. Hij beseft dat hij slechts gering is in een onmetelijk en onbegrijpelijk universum en trekt zijn klacht in. De mysteries van leven en dood, en geluk en leed zijn niet te doorgronden. Hij vraagt te veel, hij wil antwoord op vragen waar geen antwoord op is. Terug naar de reclamecampagne: mijn God laat zich niet kennen. Via Foucault, De Botton en Job zijn we tot nu toe drie varianten tegen gekomen van het zwijgen, de afwezigheid of juist de mysterieuze absurdistische aanwezigheid van God. Heel veel verder brengt dit alles ons niet. Tegelijkertijd valt iets anders in de verschillende verhalen op. Kreousa laat haar tranen en verdriet zien en uit een bittere aanklacht tegen degene die haar onrecht heeft aangedaan. Bij de klaagmuur in Jeruzalem hopen mensen gehoord te worden in hun angst, eenzaamheid, vreugde en verdriet. Job schrikt er niet voor terug om tot het uiterste te gaan in zijn wens om gezien te worden zoals hij is: iemand die geen kwaad heeft gedaan en toch lijdt.

Uiteindelijk krijgt hij gelijk – zijn vrienden moeten boete doen. Kijk, die Alain de Botton is zo gek nog niet. Juist omdat hij ervan uitgaat dat God ons in ieder geval niet hoort, maakt hij extra zichtbaar dat wij daar bij die muur naast elkaar staan. Ook Kreousa’s klacht wordt door een medemens gehoord. Als de goden zwijgen, zijn wij des te meer op elkaar aangewezen. Mijn God laat zich niet kennen, maar wij kunnen onszelf aan de ander laten zien – in onze kwetsbaarheid en verdriet en medemenselijkheid. Wij kunnen onszelf laten zien als hongerig en dorstig naar gerechtigheid, op zoek naar vrede en geluk in een wereld vol van ongerechtigheid, onvrede en ongeluk. En zo ook de ander tegemoet treden. Dan begint er een nieuw verhaal, met nieuwe verantwoordelijkheden en een heel eigen plot. Als God zich niet laat kennen, willen wij naast elkaar staan en zorg dragen voor elkaar. De ander niet alleen laten staan, niet in zijn vreugde en niet in zijn verdriet.

Ik wens ons een mooie zondag toe.

Over Christa Anbeek

Christa Anbeek

Christa is bijzonder hoogleraar Remonstrantse theologie aan de Vrije Universiteit en universitair hoofddocent existentiële en levensbeschouwelijke reflectievaardigheden aan de Universiteit voor Humanistiek.

Gerelateerd