Inspiratie: Jozef maakt het wonder mogelijk

Inspiratie: Jozef maakt het wonder mogelijk

Ik heb iets met Jozef, die eerste dwaze vader. Jaren geleden ontmoette ik hem in een altaarstuk. Geen groot hoofdaltaar en geen belangrijke kerk, welnee. Ik vond Jozef in een zijkapel van een klooster. Een oud complex behorende bij de missiepaters, midden op een weiland in de uithoek die  ‘Achterhoek’ heet. Je moest er echt even naar zoeken, maar er was toch werkelijk een zijaltaar gewijd aan de Heilige Jozef. Jozef in zijn timmermans- werkplaats, heel huiselijk.

Afgod?

Een timmerman – wat een nuttig beroep, praktisch en concreet. Een timmerman is geen hemelbestormer of dagdromer, maar beoefent een degelijk handwerk. Timmerlieden waren nogal eens nodig, van de ark tot de tempel werd er wat gesleept met bomen en balken. Maar de houtbewerking had soms ook een twijfelachtige reputatie. In zijn vrije tijd gaat het mis, volgens de dichter van de Wijsheid van Salomo: ‘Neem bijvoorbeeld de timmerman…., uit het restant, waardeloos afval, neemt hij een krom stuk hout … en maakt er in zijn vrije tijd een menselijke figuur van, of misschien iets dat lijkt op een of ander dier. En smeekt een dood ding om leven …. Iets dat geen voet kan verzetten, vraagt hij om een voorspoedige reis’ (Wijsheid 13, 11 ev). Voor je het kunt bedenken, maakt zo’n timmerman een afgod om voor te knielen. Je weet het maar nooit met zo’n timmerman.

Ik ben zijn vader

Die kritiek kennen we wel, kinderen van de reformatie en van de beeldenstorm die we zijn. Het is nog een wonder, dat het altaar van de Heilige Jozef, uit hout gesneden, deze kritiek en alles wat nog zou volgen aan beeldenstormen kon weerstaan en tot mij kon spreken. En hij sprak. Hij keek mij aan, Jozef de timmerman. Met het gereedschap in zijn hand, alsof hij wil zeggen: ‘Ik ben zijn vader; anders nog iets?’ En dan gaat hij door met zijn werk, nuchter en eenvoudig. Volgens mij was deze Jozef helemaal geen type voor afgodenbeeldjes. Gewoon doen wat gedaan moet worden – dan komen de wonderen vanzelf. Zo leek het altaar mij te vertellen. Deze ontmoeting gebeurde jaren geleden: het klooster in de Achterhoek is inmiddels gesloten. Tja zo kan het een stiefvader vergaan: afgedankt, voorbij. Wat zou er geworden zijn van het altaarstuk en van de timmermanswerkplaats?

Eerste dwaze vader

Hij is zijn vader, ja. Een dwaze vader. De achterafhoek van de geschiedenis, dat is de plaats van Jozef. Maar Jozef maakt het niets uit, hij blijft de rust zelve. Zo rustig dat men hem amper opmerkt. Op veel kersttaferelen zien wij hem achter in de stal. Of hij staat helemaal aan de rand en kijkt als een toeschouwer over een schutting. Op een enkel paneel heeft men hem zelfs kortweg afgezaagd. Hij kon wel gemist worden bij dat heilige tafereel. Maar wat je weghaalt blijf je zien, een soort fantoomafdruk blijft achter. Juist waar hij is weggeretoucheerd, blijf ik hem zien. Als een voetafdruk die zegt: ik was hier. Jozef, de eerste dwaze vader. Die het wonder mogelijk maakt door zijn onverstoorbaarheid. Door te zijn wie hij is: een rechtvaardig man, zegt Matteüs. Je had de buren moeten horen – hun oorverdovend gefluister. ‘Hij blijft bij dat meisje, terwijl iedereen kan zien…. Wat een sukkel!’ Het gepraat begon bijna vat op hem te krijgen, en Jozef wilde weg bij Maria –  tot die droom. Hij droomde dat iemand met hem sprak. En Jozef verstond, en hij antwoordde. Hardop zei hij ‘ja’ en werd wakker. Hij was zo wijs naar dromen te luisteren. Ook al moest hij daarvoor met zijn hoogzwangere vrouw helemaal naar Bethlehem trekken. We kennen hem en zien hem lopen: een ietwat kromme rug, een staf in zijn hand. Met een zorgzaam gebaar leidt hij de ezel waarop Maria zit.

Geboorte

Bethlehem – de plaats van het wonder. Het wonder van de geboorte, van de nacht dat de tijd stil bleef staan. Het kind kwam in de wereld en in de tijd. Van ‘uit de tijd’, uit een geheim vandaan, werd het zomaar in jouw tijd geboren, Jozef. In jouw nacht. Die nacht heeft jou een geheim geleerd. Dit is het, dit kind heb jij ontvangen in de nacht waarin je hoorde. Je hebt het begroet met je eigen stem. Je hebt het kind ontvangen en hebt ‘ja’ gezegd.

Het kind, de jongen – hij was er ineens altijd al. Zou hij ooit niet hebben bestaan? Kunnen wij ooit zonder elkaar bestaan? Terwijl het wonder helderder en mooier werd, en Jozef er helemaal van ging stralen, gebeurde er meer. Het kind was de belangrijkste mens op aarde  voor Jozef – wat al een wonder was. Maar niet alleen voor Jozef maar ook voor talloze anderen. Het wonder werd steeds ruimer en wijder.

Wegwezen

Bethlehem is niet voor lang een goede plaats. Weer is er een nacht en een droom waarna hij weet. Jozef weet ineens: ik moet uit de buurt blijven van koning Herodes. Uit de buurt van bange, machtige mensen.  Wegwezen, omwille van al die mensen die blij zijn met ons kind. Omwille van het kind dat bij mij hoort, mij nodig heeft. Omwille van een mens die een mens nodig heeft. Laat de bange machtigen uitrazen. Laat ons maar dwaas blijven. Wij gaan. En zij vertrokken naar Egypte. En weer loopt Jozef naast de ezel die de rest van zijn kleine en kwetsbare gezin draagt. De trouw en zorgzaamheid zelve.

Vegen!

aar toen begon het pas: een klein kind beschermen is kinderspel vergeleken met de opvoeding. Zoals die keer dat Jozef zijn zoon hoorde praten met zijn vrienden. Hij vertelde over zijn geboorte , van herders op de knieën en magiërs die cadeaus brachten. Hij moest zich toch niet ál te bijzonder voelen, die zoon van de timmerman. ‘Ik moet zijn in de dingen van mijn vader’, hoorde Jozef zijn zoon ineens hooghartig zeggen. ‘Kom jij dan maar hier, bij je vader’, riep Jozef. Hij duwde zijn zoon de werkplaats in, en een bezem in de hand. ‘Kijk, heel veel dingen van je vader. Vegen!’

Maar soms zag hij precies zichzelf in zijn zoon: nuchter en een beetje dwaas. ‘Zoon van David ben ik, zeggen ze. En zo moet ik me ook gedragen. Nou, mooi niet!’ En dan hield Jozef veel van zijn zoon.  ‘Je hebt groot gelijk. Zoon van Pietje, zoon van Jozef – wat maakt dat uit? Net zo naakt als Adam ben je op de wereld gekomen. Ik ben een mens, en jij bent een mens. Een mooi mens – een mensenzoon.’

Heilig in het gewone

Ik verbeeld me dat Jezus bij Jozef niet alleen heeft geleerd om te vegen maar ook om te timmeren. Tafels, stoelen en bedden maken – waarom niet.

‘Voor mij kan ieder mens de taak die hij in het leven heeft gekregen, veranderen in iets heiligs. Iets wat ik me graag inbeeld is dat de tafel waarop Christus het brood en de wijn heeft gezegend, gemaakt is door Jozef – door de hand van een anonieme timmerman die zijn brood verdiende in het zweet zijns aanschijns en juist daardoor de wonderen mogelijk maakte. ‘ (zo zegt schrijver Paulo Coelho, geboren op 19 maart, de dag van de Heilige Jozef)

 

Alke Liebich
Predikant in de Johanneskerk in Amersfoort (Do-Re-VVP)

 

 

 

 

Zie ook