Religieuze kunst en de rauwe werkelijkheid

Religieuze kunst en de rauwe werkelijkheid

Op vakantie zoek ik altijd naar plekken waar ik in aanraking gebracht kan worden met religieuze kunst. Wat verwacht ik daarvan? Misschien – net als van de reis zelf – om even te treden buiten de alledaagse werkelijkheid en in aanraking gebracht te worden met een andere dan de mij bekende wereld. Deze zomer was ik voor de derde keer in het kerkje van het Limburgse Wahlwiller.

Religieuze kunst toont iets van de wereld achter de zichtbare wereld. Ze is in staat om iets te tonen van het grotere verband waarin we zijn opgenomen, iets dat confronteert met doel en zin. Bij christelijke kunst word je doorgaans geen vlucht uit de harde werkelijkheid geboden. Meestal geen zachte pastelkleurige schilderijen die je meevoeren naar een hemelse zaligheid. Aardse rauwheid en hemelse zaligheid krijgen beide vaak hun plaats. Het geweld, de pijn en de dood die Christus heeft moeten ondergaan brengen de beschouwer in contact met pijnlijke eigen ervaringen, maar bieden ook uitzicht op bevrijding en opstanding. Er is iconische kunst die door de eeuwen heen volgens strikte, onveranderbare regels wordt gemaakt. De gebeurtenissen uit de tijd van de kunstenaar doen voor zijn werk niet ter zake. Kunst dient niet de actualiteit maar de eeuwigheid. Hoe recenter de kunst, hoe meer de actualiteit en het eigen levensgevoel vaak hun plek opeisen in de afbeeldingen.

Wahlwiller

In Zuid-Limburg ligt terzijde van de snelweg Maastricht – Aken het dorpje Wahlwiller. Er wonen amper 500 mensen en het Romeinse zaalkerkje, de Sint Cunibertuskerk, is niet imposant.  Bekendheid heeft het evenwel gekregen door de het werk van de Rotterdamse kunstenaar Aad de Haas (1920-1972). Bepalend voor zijn geheel eigen stijl waren zijn oorlogservaringen.  Als student aan de Academie voor beeldende kunst zag hij zijn vroege werk verloren gaan bij het bombardement van zijn stad. Met etsen over de wandaden van de nazi’s haalde hij zich vervolgens de woede van de bezetter op de hals.  Voor zijn afstuderen wordt al zijn werk vanwege het ‘ontaarde’ en ‘staatsgevaarlijke’ karakter in beslag genomen. Als hij daarna toch blijft exposeren, wordt hij gevangen gezet. Hij komt ook weer vrij en duikt dan onder in Zuid-Limburg. Daar krijgt de vrijgevochten, eigenzinnige maar ook diepgelovige kunstenaar in 1946 van de pastoor van Wahlwiller de opdracht om het interieur van zijn kerk te beschilderen en een kruiswegstatie te schilderen.

Menselijk verraad

De laatste gang van Christus, van zijn veroordeling door Pilatus tot aan zijn graflegging, moet op 14 doeken worden verbeeld. Ze moeten de gelovige helpen zich in te leven in het lijden van Jezus en vervolgens eerbied en devotie oproepen.   In iedere katholieke kerk kunnen gelovigen zo op Goede Vrijdag de kruisweg al mediterend en biddend meelopen. Maar De Haas voegt er, tegen de regels in, twee schilderijen aan toe. De eerste (afbeelding) meteen aan het begin en daarop is te zien hoe Judas Jezus verraadt. Want, daar, met het menselijk verraad, daar begint het allemaal mee volgens De Haas. Het laatste schilderij wordt niet de graflegging, maar de opstanding (afbeelding). Alleen met die verwachting mag het beeldverhaal eindigen. Naar verluid ging De Haas geheel in zijn werk op. Hij stond gehuld in een oude pij op de steiger en voelde zich volkomen deelnemer aan het lijden van Christus. Hij schilderde zijn kruisgang in een poëtische, ‘doezelende’ stijl, die zacht en dromerig is en in contrast staat tot het wrede onderwerp. De kleuren, de naïeve vormen hebben iets van een Chagall-achtige spiritualiteit. De achtergrond is helder goudgeel, de figuren hebben vage contouren en kinderlijke vormen. Alleen hun ogen zijn als zwarte kooltjes herkenbaar, waardoor de ernstige gebeurtenissen een meditatieve waarde krijgen.

Koppen van honden

Op de wanden van de kerk en boven het altaar maakte hij grotere schilderingen van bijbelse figuren, engelen en heiligen op groene en paarse achtergronden (afbeelding). Te zien zijn hier de vier ruiters van de Apocalyps (Openbaringen 6). Het geheel doet denken aan vroegchristelijke decoraties als in de catacomben van Rome, de mozaïeken van Ravenna of de eerste werken van Giotto. De figuren hebben nauwelijks menselijke gezichten, eerder iets dierlijks, het lijken wel de koppen van honden. De burgers van Wahlwiller kwamen kijken. Ze vonden het soms mooi, maar er kwam ook weerstand. Een criticus noemde de schilderingen “onnozel, onmachtig en daarom hinderlijk” en “ronduit ontoelaatbaar”. Anderen noemden zijn figuren “dierlijk”. Al gauw mag de kunstenaar voor de tweede keer beleven dat zijn kunst ontaard wordt gevonden. Binnen vijf jaar werd zijn kunst eerst om die reden door de Nazi’s in beslag genomen en daarna op last van het Vaticaan verwijderd. Hijzelf, diep gekrenkt, mocht zijn werk de kerk uitdragen. Hij zij daar zelf later over: “Het enige verschil met de nazi’s is dat ze de nagels niet van je poten af trokken.”

Wie ben ik nog?

Toch kreeg hij enkele jaren later een nieuwe opdracht voor een kruisweg en wel voor de kapel van het Ziekenhuis in Heerlen. De Haas heeft nu zijn vage, poëtische stijl van schilderen  afgeschud. Op handen en voeten zit Jezus op de grond. Als een hond wordt hij door een van de soldaten aan de lijn gehouden. Hij heeft zijn hoofd opgeheven en kijkt mij met vragende ogen aan: wie ben ik nog? Christus is hier een gemartelde medemens, niet een hemelse overwinnaar, en zijn beulen dragen de laarzen en helmen van het Derde Rijk. Het lijkt duidelijk dat de kunstenaar zich sterk met Jezus vereenzelvigt. Na de afbraak van het hospitaal zijn de schilderijen verhuisd naar het stadhuis van Landgraaf, niet ver van Heerlen.

Voor zijn werk in Wahlwiller komt rehabilitatie. Na de restauratie van de kerk in 1981 konden de staties, na tussenkomst van – nota bene – bisschop Jo Gijsen, weer teruggehangen worden. Helaas heeft Aad de Haas het zelf niet mogen beleven. Hij overleed in 1972, pas 51 jaar oud. Deze zomer woonde ik de Mis bij met een kleine vijfentwintig gelovigen in deze intieme catacomben. De andere bewoners van het dorp vermaakten zich op dat moment luidruchtig net buiten de kerk bij de jaarlijkse Luikse Markt die er plaats vond.

Peter Korver
predikant bij de Kapel in Hilversum, redactielid AdRem

Zie ook