Jacques Brel: levenslust en levensleed

Jacques Brel: levenslust en levensleed

Een chansonnier die zich nadrukkelijk bezig heeft gehouden met het thema vergankelijkheid was de Franstalige Vlaming Jacques Brel (1929-1978). Inmiddels is zijn eigen leven al 37 jaar voorbij, maar zijn liedjes leven nog wel even voort. Zijn antwoord op onze eindigheid: alles uit het leven halen en geen rekening houden met het onvermijdelijke. Niet ingewikkeld doen en je vrijheid nemen. Een zekere vergelijking met Ramses Shaffy dringt zich op. Die zong in het lied Laat me: ‘Soms woon ik hier, soms woon ik daar. Ik heb mijn leven niet verkankerd, ‘k heb geen bezit en geen bezwaar.’ Dat was ook van toepassing op Brel. Beiden hielden weinig rekening met anderen, maar ook niet met de eigen gezondheid. Naast een intens tourschema van gemiddeld driehonderd optredens per jaar, hield Brel er al die jaren een intens drink- en rookschema op na. Zijn nachtrust bestond uit hazenslaapjes en hij verloor tijdens een optreden naar eigen zeggen in een klein uur ruim een halve kilo aan lichaamsgewicht. Shaffy ging ten onder aan de drank, Brel aan het roken.

Kom je mee…

Ieder van ons moet een verhouding ontwikkelen tot de zekerheid dat ons leven vergankelijk is. Wat we zijn, het is tijdelijk, kortstondig, niet blijvend en voorbijgaand. In La Mort uit 1960, toen Brel 31 was, schreef hij reeds ‘De dood staat als een soldaat op wacht / En scherpt z’n zeis en wacht en lacht? / En zegt: jaja … pluk al je dagen!’ (vertaling Ernst van Altena). In het adagium ‘Wie schrijft die blijft’ vinden we het verlangen terug om over de grenzen van de fysieke dood voort te kunnen leven. Een schrijver of een kunstenaar heeft daarom wellicht meer te vrezen van de laatste levensfase, de ouderdom, de aftakeling, dan voor wat daarna komt. Een van de meest geciteerde liedregels uit de rockgeschiedenis is ‘I hope I die before I get old’, uitgeschreeuwd in een boos en gefrustreerd gestotter door Roger Daltrey in My Generation (1965).  Brel schreef twee jaar eerder, in een van de meest aangrijpende chansons die ik ken over de ouderdom, Les vieux: ‘De oudjes praten niet / of hoogstens af en toe met stille ogentaal / zelfs rijk zijn ze toch arm / en zonder toekomstbeeld’. Er is nog de pendule die voort tikt op de schouw, ‘die slingert: kom je mee, kom je ja – kom je nee, die slingert: ik wacht op jou…’   Immers, men is er in de levensavond nog wel, maar eigenlijk ook niet meer echt. Het scheppend vermogen is tot een einde gekomen, men is levend dood en wacht op het definitieve einde. Na het overlijden leven de vruchten van het creatieve leven tenminste nog echt. Wat we tot stand hebben gebracht, dat overleeft ons nog totdat ook dat vergeten is. Als eenmaal de mensen die ons of onze nalatenschap gekend hebben er zelf niet meer zijn, dan sterven we onze tweede, definitieve dood; dan zijn we opgelost in de tijd. Voor een enkeling is het weggelegd dat buitengewone prestaties zorgen voor een langer voortbestaan. De naam blijft dan genoemd in een geschiedenisboekje. Wie zo jong doordrongen is van de onvermijdelijke komst van ouderdom en verval kan bevangen worden door de drift om voor dat moment in een explosie van vitaliteit te leven, te leven en te leven.

Voluit leven …

In 1953, hij is 24, besluit Jacques Brel zijn leven en dromen in eigen hand te nemen. Hij laat een toekomst in de kartonfabriek van zijn vader achter zich, net als een vrouw en een dochter, om in Parijs zijn chansons aan de man te brengen. In 1956 breekt hij door met ‘Quand on n’a que l’amour’. Hier is het de liefde die een dam opwerpt tegen de vergankelijkheid: ‘Als er liefde bestaat / vrouw tot man, man tot vrouw / dan bestaat er nog hoop / op een tijd zonder rouw. / Dan bestaat er ook rust / zonder dreigend gevaar’.  In wat zijn meest bekende chanson zou worden, Ne me quitte pas  – ook bekend door de versie van Liesbeth List (Laat me niet alleen) –  geeft hij drie jaar later al aan dat de liefde meer pijn doet dan goed…

Op het podium speelde hij de rol van de dichter die zijn persoonlijke pijn voor het voetlicht brengt. De periode van zijn intense optredens duurde maar tien jaar. Toen zette hij een punt achter zijn zangcarrière. Het zingen is voor hem nooit een doel op zich geweest, maar een onderdeel van zijn streven naar een zo volledig mogelijke manier van leven, zo lezen we in de biografie die Johan Anthierens schreef.

In 1968 speelde hij Don Quichot in een door hem zelf geregisseerde musical l’Homme de la Mancha.  Dat begint met een monoloog van de bekende windmolenvechter die een pleidooi houdt voor voluit leven. Niet dromen van een ander leven, maar het andere leven leven. Voluit leven is ongezond. Leven is ongezond. Dat geeft allemaal niet als het lijden maar kort is… De monoloog schetst de diepe drijfveren van het leven van Brel: het najagen van de beloften van de jeugd, vergankelijkheid en liefde.

…tot het bittere eind

Minder artistieke bezigheden genoten nu ook Brels aandacht: hij behaalde zijn vlieg- en zeilbrevet en bevoer samen met minnares Maddly Bamy per zeiljacht de Atlantische en Stille Oceaan. Uiteindelijk belandde het paar op het eiland Hiva Oa, onderdeel van de Marquesaseilanden (de Markiezen) in de Stille Oceaan. Toen bij Brel in 1974 longkanker werd geconstateerd, vestigde hij zich definitief op dit ver-weg eiland. Met het vliegtuigje Jojo verleende hij hand-en-spandiensten aan de lokale bevolking. Hij reisde nu en dan naar Europa voor een medische behandeling (een deel van zijn linkerlong werd verwijderd) en uiteindelijk voor het opnemen van een laatste lp, getiteld Brel, voor mij zijn meest volwassen en uitgebalanceerde verzameling chansons, gemaakt in het aangezicht van de dood. Kort na het uitkomen van de plaat keerde Brel weer terug naar Hiva Oa, waar hij tot de zomer van 1978 samen met Maddly verbleef. Op 9 oktober overleed hij in een ziekenhuis bij Parijs.

In zijn liedjes weerspiegelen zich zijn levenslust en zijn levenspijn. Eerst is er een steeds getroubleerde verhouding met vrouwen. Altijd is hij getrouwd gebleven met dezelfde vrouw, met daarnaast een reeks minnaressen. Vader van drie dochters, maar zonder enige verantwoordelijkheid te willen dragen voor hun opvoeding. Een man met bindingsangst die hartverscheurende liefdesliederen schrijft.  En voorts is er de drijvende kracht om met gulzigheid de beker van het leven tot op de bittere bodem leeg te drinken.

Peter Korver
remonstrants predikant in Hilversum

Zie ook