Lekker een potje vloeken

Lekker een potje vloeken

Hoe kun je het leven hanteerbaar of acceptabel maken als je getroffen wordt door ziekte of een ongeluk? Als iemand dat kan weten dan is het wel Rachel Adriaanse, GZ – psycholoog in de ouderenzorg, werkzaam  in woon- en behandelcentrum Nolenshage van Saffier de Residentiegroep in Den Haag. En actief betrokken bij de remonstrantse gemeente Den Haag. Zij werkt met name voor cliënten met niet-aangeboren hersenletsel (NAH) vanaf een jaar of veertig en voor mensen die palliatieve, terminale zorg krijgen. Aan het begin van het gesprek sta ik wel een beetje op het verkeerde been. ‘Ik ben geen geestelijk verzorger hoor’, zegt ze. ‘Die hebben we ook hier in huis. Levens- en zingevingsvragen speel ik aan haar door.’ Maar de scheidslijn is soms dun, merk ik in de rest van het gesprek.

Problematisch gedrag

Rachel: ‘Op de NAH-afdeling krijg ik veel te maken met gedragsproblemen. Mensen zoeken dan   ruzie of ze zijn agressief, onrustig, depressief of angstig. Verzorgenden worden dan gek van zo iemand. Ik word er bij gehaald om een gesprek met die persoon te voeren en om de verzorgenden  te adviseren. Probleemgedrag is vaak een manier voor iemand om te kunnen dealen met een beperking, om zich staande te kunnen houden. Agressie is een daad van machteloosheid. Heel begrijpelijk eigenlijk als je je mogelijkheden en het perspectief op genezing hebt verloren, als je met steeds meer beperkingen te maken krijgt en afhankelijk wordt van anderen. Mensen ontploffen vaak als de verzorgenden te veel haast hebben, of als ze zich betutteld voelen of  te lang moeten wachten. Kortom, als ze zich niet serieus genomen voelen en als een nummer behandeld. Ik laat iemand vertellen waarom hij doet wat hij doet en probeer zo de achterliggende oorzaak te achterhalen. Centraal staat de vraag wie iemand was voordat hij beschadigd werd. En dan zoeken we een oplossing.

Wij hadden hier eens een meneer op de afdeling die heel graag een borrel dronk met zijn vrienden in het winkelcentrum in de buurt. Hij had een taxipas waarmee hij zich liet vervoeren. Hij kwam dan vaak erg dronken en platzak terug. Om hem tegen zichzelf te beschermen heeft de verzorging hem toen zijn taxipas afgenomen. Elke middag maakte hij daarna stampij en gedroeg hij zich agressief tegen het personeel. Uiteindelijk hebben we hem zijn taxipas terug gegeven, ook omdat we niet voor zijn financiën verantwoordelijk waren. Zijn gedrag verbeterde onmiddellijk. Ik heb me toen bezig gehouden met de vraag achter het gedrag. Zijn gedrag was eigenlijk heel normaal. Die taxipas bleek voor hem symbool te staan voor bewegingsvrijheid en voor de regie over zijn eigen leven.’

Balans opmaken

Rachel: ‘In mijn gesprekken met terminale patiënten gaat het vaak om het opmaken van de balans van het leven. Daar raken mijn werk en dat van een geestelijk verzorger elkaar wel. Het leven loslaten of niet, vechten of niet, dat zijn indringende vragen. Ik probeer mensen weg te halen uit hun rol van een ‘patiënt waarop handelingen worden verricht’ en een gesprek van mens tot mens te voeren. Daarbij baseer ik me onder andere op de ontwikkelingspsychologie van Erik Erikson. Hij onderscheidt in het leven acht ontwikkelingsfasen. De oudere mens maakt de balans op van zijn eigen leven, de balans tussen voldaanheid en wanhoop.  Als de oudere tot de conclusie komt dat ‘het leven goed is geweest’ (acceptatie) dan geeft dat innerlijke rust en voldaanheid, ook wanneer iemand ziek is of gaat sterven. Als de balans negatief uitvalt, zijn wanhoop en hopeloosheid het gevolg. Ik zie het als mijn taak als psycholoog om mensen te begeleiden in het opmaken van die balans. De vreugde en de tragiek, die zaken die anders liepen dan gewild, de dromen die niet uitkwamen, het is allemaal deel van dat unieke en waardevolle leven. Ik hoop in de gesprekken die ik voer dat besef te laten doordringen.’

Coping

Rachel: ‘Ziekte en dood zijn hier altijd aanwezig, maar toch is het verpleeghuis geen droevige plek.  Het is een wereld in een wereld. Er wordt ook veel gelachen, mensen worden verliefd, er ontstaan vriendschappen en mensen maken ruzie. Met het einde in zicht worden alle emoties wel heftiger. De  strategieën die mensen gebruiken om het hier in huis uit te houden en een beetje leuk te maken, nemen ze mee van thuis.  Als je altijd al goed was in het aanknopen van gezellige contacten dan kun je het hier goed hebben en ben je minder eenzaam. Als je altijd al meer op jezelf was dan heb je het moeilijker. Die mensen steken dan veel tijd in het creëren van hun eigen plek.  We hadden een grafisch ontwerper hier die een beetje mensenschuw was. Hij richtte zijn kamer in met designmeubelen en we accepteerden dat hij voornamelijk in zijn kamer verbleef.  Zo proberen we aan te sluiten bij iemands interesses.  Met veel liefde en zorg van het personeel is persoonlijk leed beter uit te houden. Wij proberen een patiënt goed te leren kennen en te anticiperen op afwijkingen in het gedrag.’

Win-win

Rachel: ‘Dat laatste klinkt alsof ik uitsluitend bezig ben met een soort ‘damage control’ vanuit de organisatie.  Dat is toch niet zo. Ik ervaar het zo dat ik werk ten dienste van de cliënt, maar het is zeker zo dat ik de belasting voor het personeel in het oog houd.  Agressie van cliënten is een belangrijke reden voor ziekteverzuim van het personeel, dat kun je als organisatie niet laten gebeuren. In een prettig leefmilieu is minder agressie.  Ik probeer er dus achter te komen hoe we voor iemand ‘maatwerk’ kunnen leveren. Dat betekent bijvoorbeeld het personeel inlichten over de goede benadering van iemand en over gedrag dat agressie oproept. En ook adviseer ik hoe de omgeving voor een persoon anders ingericht kan worden. Zo ontstaan er minder negatieve prikkels. Op die manier bevorderen we het welzijn van cliënt én van het personeel.  Die ‘kwaliteit van leven’ staat op het moment ook helemaal centraal in de zorg.  Je ‘natje en je droogje’ en medische zorg blijven belangrijk, maar het wooncomfort is steeds belangrijker geworden.  Mensen hier moeten meer de regie over hun eigen leven kunnen houden, hun eigen leefritme kunnen volgen, hun eigen vrienden en familie kunnen ontvangen.  En als iemand later wil opstaan of op een ander moment wil eten: best!’

Lachen en vloeken

Rachel: ‘Mensen zijn vaak boos om ‘wat het leven hen heeft aangedaan’, maar daarvoor is geen adres.  Ze worden dan boos op ons, terwijl ze eigenlijk boos zijn op hun eigen lijf of hun eigen lot.  Het is voor hen vaak moeilijk om die emotie te benoemen. Ik begin daar dan zelf over en die erkenning lucht al enorm op. Boosheid die erkend wordt verliest aan kracht.  Eigenlijk heb ik liever dat mensen boos zijn dan depressief. Boosheid heeft namelijk iets vitaals, we kunnen dan samen zoeken hoe we iets met die boosheid kunnen doen.  Bewegen helpt, soms maken mensen een schilderij met donkere kleuren of dikke verfklodders. Humor is de ultieme remedie. Lachen en boosheid gaan moeilijk samen.  Soms vraag ik of iemand een potje wil vloeken, alleen of samen. Meestal hoeft het dan niet meer.’

Michel Peters
Projectmedewerker bij de Remonstranten

 

 

Zie ook