Niets in het leven spreekt blijkbaar vanzelf. Interview met Johan Goud.
Foto: David van Dam

Niets in het leven spreekt blijkbaar vanzelf. Interview met Johan Goud.

 

Eind maart nam dominee Johan Goud (1950) afscheid van de Haagse remonstrantse gemeente, eind april nam professor Johan Goud afscheid van de Utrechtse universiteit waar hij het vak religie en zingeving in literatuur en kunst doceerde. Beide keren was er een symposium, er verscheen een boek met als titel Onbevangen. De wijsheid van de liefde (zie Adrem mei) en er staan nog de nodige publicaties op stapel . Na interviews in Trouw en NRC blikt Goud nu met Adrem terug op een paar van zijn vele activiteiten.

Veel van je activiteiten bewogen zich op het grensvlak van theologie en filosofie. Hoe zie je hun verhouding?

Beide zijn wat mij betreft nauw met elkaar verweven, zo niet een eenheid. Als het om religie gaat knoop ik bijna als vanzelf aan bij existentiële vragen waar geen mens om heen kan, en die vragen zijn ook aan de orde in de filosofie. Denk bijvoorbeeld maar aan de vragen die journalist Bas Heijne opwerpt  in zijn televisieserie De volmaakte mens. Het gaat in godsdienst niet alleen om verkondiging van bovenaf of om het ultieme antwoord op alle vragen. Ik ervaar dus ook geen kloof tussen wat wel genoemd wordt de God van de filosofen en de God van Abraham. Mijn promotor H.J. Adriaanse voelde die kloof veel sterker. Met ‘denkend geloven’ kom je volgens hem een eind, maar op zeker moment is er toch een sprong nodig. Ik zelf heb meer de natuurlijke eenheid ervaren. Ten diepste gaat het mij om een vragende, onderzoekende houding die het gesprek zoekt tussen verschillende levenssferen.

Dat geldt ook ten aanzien van de verhouding van geloof en literatuur. Ook hier zag je en in de filosofie en in de theologie de interesse voor het literaire aspect groeien.  Een complicatie daarin vormde natuurlijk wel de seculiere literatuur, die zich los maakte van een godsdienstige traditie. Maar ik meen dat zowel  romanschrijvers als dichters je als gelovige en theoloog scherp houden.  Juist door  hun vermogen tot wat ik ontwenning noem. Het afstand kunnen nemen van vaste formuleringen uit de traditie, het tonen van verrassende nieuwe sporen en perspectieven.  Martin Buber noteerde een chassidische vertelling over Mozes die zijn sandalen uit moet trekken omdat hij op heilige grond staat (Exodus 3). Die sandalen staan dan voor gewenning. Door ze uit te trekken ontstaat er een spannend nieuw begin.

In het door jou opgezette Haagse Uytenbogaertcentrum voor religie en cultuur is de afgelopen 20 jaar een indrukwekkend aantal thema’s aan de orde geweest, met maar liefst 228 sprekers . Hoe evalueer je dit project?

Als ik er op terug zie denk ik in ieder geval, tjonge, ik ben wel een bezig baasje geweest. Het was pionierswerk, waarbij ik me heb laten inspireren door de Amsterdamse ‘Rode Hoed’ van Huub Oosterhuis en de Kortenhoefse Stichting Collage van ds Henk Abma. Maar de Rode Hoed was organisatorisch zelfstandig en ds Abma kreeg een conflict met zijn hervormde gemeente. Het was uniek dat het Uytenbogaertcentrum  zo met een plaatselijke gemeente verweven was en is. De opeenvolgende kerkenraden hebben er altijd voor open gestaan. Het is nooit mijn bedoeling geweest van dit centrum het instrument te maken om nieuwe mensen aan de gemeente te binden. Dat neemt niet weg dat via dit centrum enthousiaste mensen bij de gemeente betrokken zijn geraakt. En ook voor de bestaande gemeente is het belangrijk geweest dat deze plek er kwam, een ruimte waarin allerlei actuele en relevante thema’s konden worden opgepakt. Vaak ging het daarbij om pittige lezingen, maar daarvoor heeft steeds belangstelling bestaan. In NRC heb ik dan ook gezegd dat de behoefte aan bezinning sterk wordt onderschat.  Bij een recente lezing van Joke Hermsen over Hanna Arendt in het kader van het thema ‘Moedige vrouwen’ was het ook weer buitengewoon druk.

Diezelfde stevige ambitie klonk door in de succesvolle symposia in Utrecht over het levensbeschouwelijke aspect in het werk van auteurs als Grunberg en Kopland. Hoe maakte je hierin keuzes?     

De laatste symposia gingen over ontworteling, uiteenvallen, en over eros en liefde, zoeken naar eenheid, gemeenschap. Die thema’s hebben zeker ook met mijn eigen biografie van doen. Het losraken, het kritisch staan tegenover allerlei tradities, dat herken ik zeer in een schrijver als Arnon Grunberg die radicaal alle vanzelfsprekendheden ter discussie stelt.  Niets in het leven spreekt zomaar vanzelf. Daarnaast herkende ik in Kopland en Willem Jan Otten het thema van de afwezigheid, de gaten in het leven, en vervolgens bij Oek de Jong weer meer de verbondenheid.

Geldt dat niet vanzelfsprekende ook voor God?

Zeker. Ergens spreek ik van de God die bijna niet bestaat. Daarmee bedoel ik dat je eigenlijk nooit abstract over God kunt spreken, los van wat wij mensen hopen, vermoeden, zingen, bidden, kortom over God te berde brengen. Daarom moet je de bijbel ook literair lezen, als een boek waarin het bestaan van God performatief vorm wordt gegeven. Door ‘het’ te zeggen kan het ook gestalte krijgen. Maar hoe is het er dan, hoe wordt het ervaren? Ook hier zie ik weer het belang van de ontwenning. Het klinkt wellicht een beetje als de ‘God die niet bestaat maar wel gebeurt’ van dominee Klaas Hendrikse. Maar bij hem ontbreekt de literaire invalshoek. Het gaat teveel over heel persoonlijke ervaringen. Bovendien mis ik bij hem het element van het verhevene, dat wat ons te boven gaat. Dat vind ik dan wel in zo’n gedicht van Kopland over hoe de jonge Bach het orgel bespeelt. Met een onnavolgbare lichthandigheid alsof het geen handen waren die speelden. Hier wordt iets verwoord van een omkering. Dat niet zozeer jij aan het zoeken en vinden bent, maar dat je gevonden wordt door wat je zoekt.

Je bent 31 jaar predikant geweest. Heb je dat  altijd willen worden?

Nee, ik herinner me dat ik als eerstejaars aan de VU niet bevestigend antwoordde op de vraag of ik predikant wilde worden. Ik kende alleen de sfeer van de gereformeerde kerken, en wat daar van een predikant verwacht werd sprak me niet aan. Pas tijdens mijn promotieonderzoek in Leiden kwam ik in contact met de remonstranten. Die openheid, culturele betrokkenheid, eruditie, dat was echt nieuw voor mij.  Toen werd het predikantschap alsnog een reële optie. Ooit sprak ik in een diësrede voor de Kampense theologen over het predikantschap in de 21e eeuw. De kernwoorden uit die rede laten zich verbinden met wat ik als de essentie van het predikantschap zie. De predikant moet leraar, vriend en vreemdeling zijn.  Leraar in de school van de wijsheid en vriend die zich samen met anderen betrokken weet op iets wat hen overstijgt en juist zo met elkaar verbindt. Maar de predikant dient ook iets van de vreemdeling in de gemeenschap te behouden. Hij brengt het andere, het vreemde in, en zo zorgt hij voor noodzakelijke onrust.

Als hem tot slot naar de toekomst van de remonstranten wordt gevraagd, spreekt Goud de hoop uit dat de remonstranten zich bewust blijven van het eigene dat zij in het geheel van het religieuze landschap hebben in te brengen: een gemeenschap met open oog voor de cultuur, en dat in verbinding met de christelijke traditie. Zorgvuldig ‘lezend’ in de verschillende betekenissen van dat woord, en verbindingen leggend waar anderen dat niet (durven) doen. Alleen door dat kwalitatief goed te blijven doen kun je je ook in de toekomst onderscheiden van de rest.

Koen Holtzapffel

Zie ook