‘De overgave aan het leren is besmettelijk; dan heb je geen dwang meer nodig’
Foto: CollegeDegrees360

‘De overgave aan het leren is besmettelijk; dan heb je geen dwang meer nodig’

‘Ja, discipline is belangrijk in het onderwijs. Alleen vanuit een goed gestructureerd systeem kunnen leerlingen zich iets eigen maken’, aldus Heleen Voors, docent godsdienstig vormingsonderwijs. ‘Nee, van discipline moet je het niet hebben, want dat komt toch vaak neer op het van boven opleggen van regels. Dwang werkt niet’, aldus dezelfde Heleen Voors.

Een gesprek met Voors over discipline in het onderwijs gaat van ‘ja’ naar ‘nee’ en terug. Ze ziet op haar drie scholen hoe lastig het is om leerlingen te motiveren om iets te leren. ‘Waarom moet ik dat leren’, is de meest gehoorde vraag. Er is immers spellingcontrole, alle computers en telefoons kunnen rekenen en google geeft antwoord op je vragen. Dus waarom? In het godsdienstig vormingsonderwijs ‘moeten’ kinderen niet zo veel. Dat scheelt enorm, zegt ze.

Ieder voor zich

‘Vroeger was er orde, structuur, plicht en iedere leerling moest hetzelfde programma volgen. Nu gaat het veel meer om de vraag: wat wil ik leren. Kunnen kinderen dat wel, in de veelheid aan prikkels en stof een weg vinden en hoe ga je dat proces sturen in een tijd waarin het vooral gaat om zo hoog mogelijke scores. Bovendien is het steeds minder gebruikelijk om ook aan vorming te doen; aan het leren om in het leven te staan met anderen. Het leerproces is in mootjes gehakt; de delen van het geheel zijn pijnlijk uit elkaar gerafeld. Het loslaten van tradities heeft volgens haar gezorgd voor het opnieuw zoeken naar vormen, grenzen, normen en waarden. ‘Er is een veelheid van regels weggevallen. Een minimum aan gezamenlijke regels is over en dat minimum staat naast een veelheid aan nieuwe regels die individuen en gezinnen er op na houden. Vanzelfsprekende motivatie is er niet; het is vooral doen waar je zelf zin in hebt. De persoonlijke leerweg, de individuele prestatie: daar gaat het om. Van oorsprong is de school een vormend instituut, waar je samenleven leert, maar dat is grotendeels losgelaten. Het is ieder voor zich’, aldus Voors.

Besmettelijke docenten

Maar hoe staat het dan met de docenten? Zij kunnen toch bijsturen en een bedding bieden waardoor leerlingen kunnen ervaren hoe positief het is als je samen discipline kunt opbrengen? Voors vindt dat docenten inderdaad wandelende voorbeelden moeten zijn. Laten zien dat je samen veel kunt bereiken is volgens haar een van de belangrijkste dingen die je kunt doen. ‘Dat vergt een andere houding dan de gebruikelijke. Controle, beheersing, output, beteugelen en alles vertalen in punten is gangbaar. Een leraar die nieuwsgierig blijft en wil bijleren, die niet verveeld is, laat zien dat leren kracht geeft en plezier. Die overgave aan het leren is besmettelijk; dan heb je geen dwang meer nodig.’

Vorming in een groep

Zijn ouders bezig met iets als discipline? Ouders zijn volgens Voors zoekend naar de balans tussen regels en loslaten, tussen onderhandelen en grenzen stellen. Kinderen krijgen volgens haar weinig geduld geleerd. Ouders geven gemakkelijk toe om van gezeur en ruzie af te zijn. ‘In mijn lessen leg ik uit wat ik van de leerlingen verwacht en waarom dat nodig is. Ik probeer niet gemakzuchtig te zijn, leerlingen niet te laten zwemmen in een veelheid aan informatie, maar mijzelf daarin te begrenzen. Het gaat namelijk niet alleen over kennis. Het gaat om een vormingsproces en dat moet in een groep. Een groep kinderen in een hok stoppen en ze allemaal iets voor zichzelf laten doen, is niet vormend. Groepen van dertig leerlingen hanteren en ze laten samenwerken, is lastig hoor. Mijn ervaring is dat een beetje aandacht al wonderen doet. Een kind dat een stuiterbal is en geen seconde stil kan zijn, krijgt vaak alleen maar negatieve aandacht. Als zo’n kind een poosje goed meedoet dan geef ik een compliment en bedank haar of hem voor de opgebrachte discipline. Dat werkt. Ik bedank leerlingen graag in termen van deugden. Als kinderen de klas hebben aangeveegd dan bedank ik  ze voor hun hulpvaardigheid. Zo krijgen ze ook zelf oog voor deugden. Als docent heb je hiervoor wel discipline nodig.’

Ster van het heelal

‘Onze samenleving is enorm veranderd. Kinderen zitten achter de computer en zijn daar de ster van het heelal. Met een klik is alles mooi, zijn ze superman en hebben negen levens. Wat niet boeit klikken ze weg. Het echte leven zit in hun mobiel. Thuis kunnen ze net zo makkelijk instructie krijgen (via filmpjes) als op school van een docent. Hun huiswerk kunnen ze dan individueel in de klas maken en nooit doet zo’n klas meer iets samen. Tegelijkertijd zijn al deze mogelijkheden ook een verrijking. Je kunt de lesstof verduidelijken met mooie en zeer instructieve filmpjes. Maar de overvloed van beschikbare filmpjes vraagt meteen om discipline. Leren is meer dan consumeren. Leerlingen die drie lessen bezig geweest zijn met vijf dichtregels uit de Bijbel of Koran en dan met een verpletterende hertaling komen, dat is discipline.

Ik begin mijn lessen met stilte, een gedisciplineerde stilte. Daarna probeer ik de overgang te maken naar een andere ruimte, namelijk die van samen luisteren, samen de tijd nemen om te zoeken naar wat betekenis geeft, hoe je iets voor anderen kunt betekenen. Dat leren ze niet met een instructiefilmpje thuis, maar in een vormend proces samen.’

Voedende kracht van verhalen

‘In mijn lessen vertel ik uit de Bijbel en laat ik leerlingen ontdekken waar ze zelf voorkomen in het verhaal. Leerlingen zijn ontvankelijk voor de voedende kracht van verhalen. Hier hebben we het over echte dingen, zeggen ze dan. Het voelt voor hen heel anders dan vakken als rekenen en taal. Ik kan via verhalen ook praten over deugden. Wat maakt een daad goed en waarom is deze persoon een voorbeeld, ook voor mij? Dat zijn belangrijke en vormende gesprekken.’

Hoe past godsdienstig vormingsonderwijs op scholen waar juist beheersing, input en output, controle en punten halen belangrijk zijn? Voors vertelt dat ze een jaarplan aan het schrijven is dat meer past bij deze terminologie van de scholen. ‘Maar ik krijg het maar niet af. Ik kan het gewoon niet. Dat soort denken stuit mij tegen de borst. Ik praat in mijn lessen over het Geheim. Dat kun je toch niet in mootjes hakken, afpassen en van punten voorzien? Kinderen zeggen vaak dat ze niet godsdienstig zijn. Er volgt altijd een ‘maar’, want ze blijken wel degelijk gevoelig voor vragen over zin en waar je je inspiratie vandaan haalt. Van tevoren weet je nooit hoe een bepaalde les zal gaan, welke reacties je krijgt en welke je dan laat liggen of juist oppakt. Ik krijg vragen als: hoe ziet God er uit, wat gebeurt er na dit leven, wat is tijd… Die vragen schoppen je hele planning in de war, maar dat geeft niet. Het is echt het mooiste vak van de wereld en zo anders dan de kinderen gewend zijn. Dat houd ik er graag in. Bij mij hoeven ze niet te jakkeren. Ik doe dat ook niet. We nemen de tijd om naar elkaar te luisteren. Dat vergt al een enorme discipline van ze. Bij mij ontdekken ze dat ik het ook niet precies weet, net zomin als zij. Dat het gaat om samen zoeken. Wat heeft het mij te zeggen, wat vind ik mooi, wat is goed om te doen, wie zijn mijn helden en waarom. Als ik het vuurtje brandend kan houden bij leerlingen om dit soort vragen te blijven stellen en er belangstelling voor te houden, dan heb ik mijn doel bereikt.’

Ineke Ludikhuize
Redactie AdRem, gemeentelid Utrecht

Zie ook