Vasten in de middeleeuwen: discipline of grenzen opzoeken?
Foto: Randy Stewart

Vasten in de middeleeuwen: discipline of grenzen opzoeken?

Vasten en onthouding hebben in de middeleeuwen in het christendom een grote rol gespeeld. Wat het precies is (geweest) en hoe het werd ingevuld is nog een heel verhaal.

Zo oud als de bijbel

Vasten bestond al in het Oude Testament en was een manier om dichter bij God te komen. Je legde je aardse, dierlijke instincten tijdelijk opzij en wijdde je geheel aan de Eeuwige.

Vanaf de 3e eeuw werd het onder christenen gangbaar om een aantal dagen voor Pasen te vasten en het concilie van Nicea (325) breidde het uit naar 40 dagen. Overdag at men niet en men nuttigde één (sobere) maaltijd, zodra de eerste ster aan de hemel stond.  Hoewel dit natuurlijk niet te achterhalen valt, zou er wel eens een (ook) politiek motief achter kunnen hebben geschuild. Het was een tijd waarin regelmatig hongersnoden voorkwamen. Door een verplichte versobering voor zowel arm als rijk in te stellen, tegen het einde van de (barre) wintermaanden, werd allicht een volksopstand voorkomen.

De regel van Benedictus

De heilige Benedictus, die in de 5e en 6e eeuw leefde, bepaalde in zijn kloosterregels dat zijn monniken ook nog op andere momenten, zoals de woensdag en de vrijdag en 30 dagen voor kerst moesten vasten. Ook moesten ze zich dan onthouden van het eten van vlees en dierlijke producten  (zoals boter, kaas en eieren). Omdat dieren dankzij geslachtsgemeenschap geboren konden worden, kon hun consumptie – en de consumptie van hun producten – lustopwekkend werken, zo was de gedachte. Dat paste niet tijdens de vastendagen. Gelukkig dacht Benedictus dat vissen zichzelf voortplantten, dus die mochten wél worden gegeten.

Benedictus’ regels, die aanvankelijk alleen in zijn kloosterordes golden, werden langzaamaan gemeengoed in de hele katholieke wereld.

Rekkelijken en preciezen

Maar hoe deze regel nu precies moest worden nageleefd, daarover verschilde men nogal van mening. Zo had je hier ook rekkelijken en preciezen.

Er ontstond een hele theologie over de vraag of je je eigen bloed van een wondje wel mocht oplikken, of je snot of speeksel mocht inslikken. Sommigen vonden dit al ronduit zondig en een schending van de regel. Aan de andere kant kreeg je bij een aantal mensen een aanzienlijke oprekking van het begrip ‘vis’. Alle dieren die in of rondom het water verkeerden mochten volgens deze groep mensen gegeten worden. Denk aan eenden en ganzen, maar ook otters, bevers, kikkers, slakken en bruinvissen, vielen hieronder. Sommigen aten overigens alleen de voeten van watervogels, want alleen dat deel van het dier bevond zich in het water.

Het klooster van Cluny serveerde tijdens de vastendagen weliswaar maar één (vis) maaltijd, maar deze bestond uit wel 4 of 5 gangen. Het was een aaneenschakeling van gastronomische gangen, met luxe ingrediënten en één grote schranspartij. Bernardus van Clairvaux sprak er schande van.

Boterbriefjes

Ook werd het boterbriefje ingesteld: wie het zich kon permitteren, kocht het recht om tijdens de vasten toch boter (en melk en eieren) te mogen gebruiken. De tour de beurre (botertoren) van de kathedraal van Rouen is op deze wijze bekostigd.

De rekkelijken kregen bovendien nog extra ruimte, toen dankzij Thomas van Aquino de onthoudingsregels niet meer golden voor zieken, zwakken, kinderen en zwangere vrouwen.  Als gevolg hiervan begaven sommige monniken zich tijdens de vastendagen massaal naar de refter bij de ziekenafdeling om daar van allerlei lekkers te kunnen genieten. Zo beschouwd raakte vasten wel heel ver van haar doel verwijderd.

Wat dat betreft is het heel wijs dat de Nederlandse Bisschoppenconventie in 1989 heeft besloten dat het aan ieder persoonlijk is om te bepalen op welke wijze men aan de vastenperiode een invulling wil geven. Zo krijgt vasten meer betekenis dan muggenziften over wat er ‘wettelijk’ wel of niet kan.

Vanessa van Koppen

Zie ook