Boekbespreking: ‘Van Jeruzalem naar Mekka’ door Betty Broug

Boekbespreking: ‘Van Jeruzalem naar Mekka’ door Betty Broug

Voor lezers van AdRem is Betty Broug-van der Haven geen onbekende. Zij is gepromoveerd islamoloog en vergeleek eerder voor ons verschillende bijbelverhalen met verhalen in de Islam om ons te kunnen wijzen op opmerkelijke overeenkomsten en verschillen. Enkele maanden geleden verscheen nu met financiële steun van de Vrijzinnige Fondsen de bundel  ‘Van Jeruzalem naar Mekka’.  Dertien bekende namen uit de christelijke traditie legt ze naast dertien bekende namen uit de islam. Nieuwsgierig is ze op zoek gegaan naar de bijbelse Jozef en zijn pendant in de koran Yoesoef en naar Jona ‘in de wallevis’ en ‘Yoenoes en de walvis in de Tigris’. Ook vergeleek zij Hagar uit Genesis met Hadjar, haar tegenhanger in het boek van de moslims, David met Dawoed, Maria met Maryam en Jezus met Isa.  Soms zijn er letterlijke overeenkomsten in de teksten, soms zijn er verwarrende verschillen. De vraag is: hoe kunnen twee zulke verschillende godsdiensten dezelfde verhalen en dezelfde profeten hebben? De auteur helpt ons op weg.

Om te beginnen: de versies uit de pentateuch, de Joodse bijbel, zijn het oudste. Ze zijn ongeveer zeshonderd, vijfhonderd jaar voor onze jaartelling opgetekend. Twaalfhonderd jaar later komen Noach, Jozef, Mozes terug in de Koran. Ze hebben de eeuwen overleefd en krijgen een nieuwe entree in het heilige boek van wat  een nieuwe, grote wereldgodsdienst zal gaan worden. Ook komen we Maryam tegen, de Maria van de koran. Het christelijke verhaal van Lucas is dan al ruim vijf eeuwen oud en krijgt in aangepaste vorm een plek in de koran. Hier bevalt zij niet van haar kind in een koude winternacht in een armzalige stal, maar aan een snelstromende beek onder een dadelpalm.

Ondanks het feit dat de Koran vele eeuwen later is opgetekend, is een zekere verwantschap met verhalen in de bijbel evident. Hoe is dat mogelijk? De auteur leerde van haar promotor de idee van de ‘global village’ van de zevende eeuw. Ook toen was er in het Midden Oosten geen sprake van gesloten onafhankelijke culturen. Het Arabisch Schiereiland van Mohammed was zowel in het noorden, oosten, zuiden en westen als het ware ingesloten door het christendom. De profeet ontmoette op reis met de karavaan onderweg christelijke gemeenschappen. Christelijke monniken uit Palestina en Irak poogden langs deze route het evangelie te verspreiden. Ook kooplieden en andere reizigers namen de bijbelse verhalen mee op reis en vertelden ze op markten of in de avond bij het kampvuur.

Door deze mondelinge overlevering werden ze een vanzelfsprekend onderdeel van het cultureel erfgoed van alle bewoners van het Schiereiland. Toen Mohammed rond 620 na Christus een nieuw geloof bracht, was dat er een met een oude boodschap. Hij zag zichzelf in de rij van profeten die hem voorgingen: Adam, Abraham, Mozes, Jezus. Hijzelf was de laatste en definitieve editie van Gods woord.

Staan Islam enerzijds en jodendom en christendom anderzijds al met al toch niet zo ver van elkaar als veel mensen denken? Toch wel. Elk van hen kent een eigen Abraham, Mozes, Maria of Jezus, zoveel is wel duidelijk. Dat hindert bijvoorbeeld de dialoog tussen kerk en moskee: men denkt  over dezelfde te spreken, maar dan blijkt Jezus toch geen Isa te zijn…

Betty Broug legt in honderd pagina’s dertien verhalen uit de bijbel naast verhalen uit de koran, omdat er overeenkomsten zijn. Tekstfragmenten worden – in vertaling – vergeleken en toegelicht. Het boek is door de omvang en het heldere taalgebruik zeer geschikt voor een cursus of een kring. Het helpt ons om, directer bij de bronnen, een ontmoeting tussen christendom en islam tot stand te brengen.

Aan theologische overeenkomsten of verschillen waagt Betty Broug zich niet. ‘Ik leg, niet meer en niet minder, verhalen, eeuwenoude verhalen, naast elkaar en nodig u uit tot verwondering.’

Peter Korver
Redactie AdRem, remonstrants predikant in de Kapel in Hilversum

Zie ook