Brandend verlangen. Vrouwelijke mystici en hun ervaringen met God.
Afbeelding: Cobi van Hulst

Brandend verlangen. Vrouwelijke mystici en hun ervaringen met God.

Vrouwen hebben in de geschiedenis van het christendom, zoals ook in die van andere religies, niet altijd een prominente stem gehad. Het waren meestal mannen die het woord voerden. Daardoor is ons beeld van de geschiedenis van die religies doorgaans nogal vertekend: het wordt bepaald door degenen die het luidst van zich lieten horen.

Toch is er één gebied waarop de stemmen van vrouwen rijk vertegenwoordigd zijn. Dat is dat van de mystiek: de beschrijving van een intense ervaring van eenwording met het goddelijke.

Speelruimte van de taal

Het is opvallend dat vrouwen voor het beschrijven van die ervaring meestal gebruik maakten van de volkstaal, juist in de eeuwen waarin het Latijn nog de gangbare taal van het westerse christendom was. Hadewijch van Brabant, Beatrijs van Nazareth, Margarete Porete, Julian van Norwich, Margery Kempe, Catharine van Siena, Teresa van Avila en zuster Bertken, allemaal bedienden zij zich van de volkstaal om hun mystieke ervaringen te beschrijven. Deden zij dat omdat zij het Latijn niet machtig waren, zoals lang (door mannen!) is gedacht? Nee, het is een mythe dat middeleeuwse kloosterzusters – want dat waren de meesten van hen – geen Latijn beheersten. Het prachtige Latijn van Hildegard van Bingen uit de twaalfde eeuw is het bewijs van het tegendeel. In de kloosterbibliotheken van de vrouwenkloosters waren wel degelijk Latijnse boeken aanwezig en de kennis van het Latijn werd daar van zuster op zuster overgedragen. Bovendien was de hele liturgie in het Latijn: de zusters kwamen dagelijks in hun kloosterkerk bij elkaar om in het Latijn te bidden en te zingen.

Toch gebruikten zij niet die taal om over hun diepste religieuze ervaringen te spreken, maar de volkstaal. Bernard McGinn, hoogleraar in Chicago en groot kenner van de middeleeuwse mystiek, zegt dat zich in de hoge en late middeleeuwen zelfs een eigen traditie van theologiebeoefening heeft ontwikkeld die hij ‘volkstaaltheologie’ noemt (vernacular theology). Die volkstaaltheologie is de theologie die reflecteert op persoonlijke religieuze ervaringen. En voor die reflectie wordt, aldus McGinn, de volkstaal gebruikt omdat die meer vrijheid biedt. In het Latijn is de betekenis van de woorden vastgelegd; die taal is als het ware geconfisqueerd door de scholastieke theologie. Deze theologie werd beoefend aan de kathedrale scholen waaruit de universiteiten zijn voortgekomen. En aan die instellingen waren alleen mannen verbonden: de scholastieke theologie was een mannendomein. Maar buiten dat domein ontwikkelden zich andere vormen van theologie waaraan zowel mannen als vrouwen deelnamen. Dat gebeurde in kloostergemeenschappen, in begijnhoven, in kringen van leken, in gemeenschappen van de Moderne Devotie. Die andere vormen van theologie waren minder schools, zij waren speelser. De volkstaal bood daar ruimte voor. In die taal kon nog met woorden worden gespeeld. Ja, er konden zelfs nieuwe woorden gecreëerd worden. Vermoed wordt dat bijvoorbeeld het woord ‘orewoet’ voor het brandende verlangen naar de mystieke vereniging (‘oerwoede’), voor het eerst gebezigd door Hadewijch in het begin van de dertiende eeuw, zo’n nieuwe taalcreatie is.

Kennen door liefhebben

En er was nog een groot voordeel: het kerkelijke leergezag bemoeide zich minder met dat alternatieve circuit van theologie. De theologie aan de universiteiten stond onder strikt toezicht, want daar werden de toekomstige pastores en kerkelijke leiders gevormd. Maar de alternatieve vormen van theologie in de volkstaal onttrokken zich ten dele aan dit toezicht. Ten dele, want er zijn heel wat mystici die toch problemen met de kerkelijke overheid hebben gekregen wegens hun geschriften en die zelfs als ketters zijn veroordeeld, zoals Margarete Porete en Meister Eckhart.

Wat was er dan zo gevaarlijk aan die mystieke theologie? Precies het feit dat zij een ervaringstheologie was, die zich niet bij voorbaat bewoog langs de gebaande paden van de kerkelijke leer. In hun mystieke geschriften probeerden vrouwen en mannen zich rekenschap te geven van hun persoonlijke ervaringen met het geheim van God. En die persoonlijke ervaringen werden opgedaan in een als avontuurlijk beschreven liefdesrelatie, een erotische dynamiek van aantrekking en afstoting, van aanwezigheid en afwezigheid, van vervoering en verlangen, van intense eenwording en diepe verlatenheid. Uit die liefdesrelatie kwam een kennis voort van God – of misschien beter van het goddelijk geheim – die niet op gezagvolle geschriften als de Bijbel was gebaseerd, niet op de leer van de kerk en niet op logische argumentatie, maar op ervaring: ‘ervaringskennis’ van God, zo noemden de theologen Hugo en Richard van Sint-Victor dat in het begin van de twaalfde eeuw. En die ervaring kwam voort uit de dynamiek van de liefde: mystici kennen het goddelijke doordat ze liefhebben.

Die kennis is tegelijk ook zelfkennis: de ervaring van het goddelijke doet mij mezelf kennen, en diep in mezelf is de Ander te vinden. Teresa van Avila verwoordde dat in de zestiende eeuw in een krachtig gedicht:

‘Ziel, zoeken moet je jezelf in Mij/ en Mij moet je zoeken in jezelf/[…]/ En mocht je soms niet weten/ waar je Mij zult vinden,/ dwaal dan niet van hier naar ginds,/ maar, als je Mij vinden wilt,/ moet je Mij in jezelf zoeken.’

Aanwezige afwezigheid

Toch was het voor de vrouwelijke mystici uit voorbije eeuwen evenmin gemakkelijk als voor ons: de zoektocht naar de Aanwezige eindigde vaak in een ervaring van afwezigheid, in leegte, in een donkere nacht of een dorre woestijn, of welke andere beelden ook werden gebruikt voor de ervaring van afwezigheid van de Beminde. Hadewijch en anderen gebruikten krachtige beelden voor de verlatenheid, de diepe honger, het intense verlangen dat zich daarbij kon voordoen: ‘ic roepe, ic claghe:/ de minne hevet de daghe / ende ic de nachte ende orewoet.’

En wat we bij de vrouwelijke mystici nauwelijks vinden, is het idee dat er één spirituele weg zou zijn die naar de vereniging met de Geliefde leidt. Integendeel, het is eerder een kronkelpad, met vele zijpaden en dwarswegen. Teresa van Avila gebruikt het beeld van het kasteel van de ziel of de innerlijke burcht: wij dwalen door allerlei kamers in ons innerlijk, en vaak zijn we de weg kwijt, al weten we dat in het midden van dat kasteel een vuur brandt dat ons aantrekt. Maar, aldus Teresa, we weten vaak niet hoe bij dat vuur te komen. De omgang met de Beminde blijft een avontuur.

Peter Nissen Hoogleraar Spiritualiteitsstudies aan de Radboud Universiteit Nijmegen en remonstrants predikant in Oosterbeek

Zie ook