Schepper met God

Schepper met God

Hoe komt het toch dat we soms overrompeld kunnen worden wanneer we kijken of luisteren naar kunst? Soms zelfs zó diep, dat we God(s hand) er in ervaren? Ik weet het ook niet, maar zou het als volgt kunnen zijn? God ervaren is niet rationeel. Het speelt zich af op het niveau van de gevoelswereld. Dat vraagt een zeker ‘open staan voor’ en het dwingt zich niet af. God ervaren overkomt je – of niet. Opmerkelijk is dat dat nogal eens voorkomt wanneer we ons begeven in de natuur, of kunstvormen aanschouwen/beluisteren.

God ervaren in de natuur laat zich – denk ik – gemakkelijker verklaren: we zien de schoonheid van Gods schepping en kunnen daardoor diep geraakt worden. Maar kunst, dat is toch door mensenhanden geschapen? Of misschien toch niet helemaal? De kunstenaar raakt ‘geïnspireerd’ tijdens het scheppen van een kunstwerk. Soms –  zo vertellen kunstenaars – lijkt het wel alsof ze geleid worden door ‘iets van boven’. En dat wordt misschien weer overgebracht op de kijker of luisteraar. Zo omschrijft Maarten ’t Hart bijvoorbeeld in zijn boek ‘Mozart en de anderen’ dat hij eens, toen hij luisterde naar het 23e pianoconcert van Mozart ‘regelrecht de hemel in werd geschoven’.

Ik moet ook denken aan de dagboeken van Etty Hillesum. Zij beschrijft persoonlijke diepe religieuze ervaringen en weet zich gedragen en geïnspireerd door de gedichten van Rainer Maria Rilke.

Waarom raken kunstenaars geïnspireerd?

Je kunt je natuurlijk afvragen waarom juist kunstenaars vaak geïnspireerd zijn door God of het goddelijke, en niet bijvoorbeeld de bezorger van de krant. Dat heeft denk ik vooral te maken met het scheppende karakter. Misschien krijg je als kunstenaar ook wel hulp van ‘bovenaf’. In de oudheid was men daar wel van overtuigd: je riep de hulp van de muzen in, al was het maar om te voorkomen dat je werd beticht van hoogmoed (hybris). Dus wanneer je iets heel moois had gemaakt, dan ging je er wel van uit dat je het niet alleen had gedaan, maar met hulp van de muzen, of een godheid. Dat gevoel van afhankelijkheid zal in de eeuwen dat het christendom nog een rotsvast geloof bood aan iedereen, niet anders zijn geweest. Toch zijn ook nu nog kunstenaars ervan overtuigd dat ze niet alleen hun kunstwerken hebben kunnen maken, maar met hulp van ‘bovenaf’.

Mozarts composities

Mozart is misschien wel de meest bekende componist, waarvan vermoed wordt dat hij werd gestuurd door het Goddelijke. Al is het maar om een verklaring te zoeken voor zijn genialiteit. Hij hoorde hele stukken muziek in zijn hoofd – met alle verschillende partijen erbij – en schreef dat dan ogenschijnlijk met een gemak en snelheid op, dat slordig en vluchtig zou kunnen lijken, zonder ook maar in de buurt van een piano te komen. Een bovenmenselijke prestatie.

Het beeld in de steen

Michelangelo schijnt ooit te hebben gezegd: ‘Hier heb ik een steen, daarin zit een beeld en ik hoef het er alleen maar uit te houwen’. Alsof God het beeld er al in had geplaatst en met een onzichtbare hand de kunstenaar leidde waar hij de steen uit moest houwen.

Diverse dichters en schrijvers hebben ook aangegeven dat ze soms versteld staan van wat ze hebben opgeschreven en dat het lijkt alsof het van boven is gekomen.

Poëzie en de religieuze ervaring

Hendrik Marsman schreef in ‘Critisch proza’ over de overeenkomsten en verschillen tussen de poëtische en de religieuze ervaring. ‘Beide ervaringen zijn gericht op een vorm van vereniging tussen de menselijke ziel en God’.  Zo begint hij. Beiden streven naar ‘het herstel van wat de menselijke ziel zich herinnert of meent te herinneren als een oorspronkelijk verband’. De mysticus moet – aldus Marsman – om God te ontmoeten tot een totale zelf-ontlediging komen, om als het ware ruimte te kunnen maken voor God, ‘die als een bliksem door hem heen gaat’. Ook de dichter zoekt naar een vorm van herstel van ‘de oorspronkelijke eenheid’. Maar Marsman maakt een onderscheid tussen inhoud en vorm van het gedicht. De inhoud bestaat volgens hem uit de algemene, menselijke en persoonlijke ervaring. Je bedenkt je dat je iets over – bijvoorbeeld – een voorjaarsmorgen wilt gaan schrijven en hebt daar beelden bij die je uit eigen ervaring put. De vorm waarin het gedicht vervolgens op papier komt laat de dichter ‘doortrekken van het universele of Goddelijke ritme’, dat in het hart van de dichter als een bron, een brandend vuur woedt.

Het verschil tussen de mysticus en de dichter is – aldus Marsman – dat de God van de mysticus aan de ‘andere zijde’ woont en de God van de dichter in zijn hart zit.

Simon Vestdijk beaamt dit. Hij maakt een onderscheid tussen techniek van de dichtkunst en haar wezen. De techniek is menselijk en het wezen is: ‘het essentiële en onvervangbare der poëzie, het mysterieuze en onuitsprekelijke, datgene wat zich tegen nadere formulering verzet’.

Schilderkunst en Godservaring

Caspar David Friedrich en Philipp Otto Runge zijn twee Romantische schilders die graag weidse en onherbergzame landschappen schilderden. In dergelijke landschappen, zo meenden zij, vond er een versmelting plaats tussen enerzijds de eindige mens en de oneindige (Goddelijke) wereld, van subject en object, geest en natuur tot een bijna religieuze godservaring. De natuur als weg naar God.

Ik realiseer me al schrijvende, dat dit artikel onbedoeld ook een pleidooi is geworden om je meer met kunst in te laten, omdat het je dichter bij God kan brengen. Ook al beleef je er zelf geen Godservaring mee, dan kun je in ieder geval getuige zijn van de Godservaringen van anderen. Ook dat is de moeite waard.

Vanessa van Koppen Redactie AdRem, gemeentelid Den Haag

Zie ook