Denken of spelen?
Foto: Ruimtevolk

Denken of spelen?

Nadenken over vrijheid: is er een filosoof geweest die dat niet heeft gedaan? De eerste met wiens gedachten over vrijheid ik kennismaakte – ik was een middelbare scholier en hij was in de mode – was Sartre. ‘De mens is veroordeeld tot vrijheid’, beweerde hij. Als wij onze vrijheid ontkennen en denken dat wij niet anders konden handelen dan wij deden omdat wij op alle mogelijke manieren gebonden zouden zijn, zijn wij, in zijn ogen, te kwader trouw.

Het standpunt van Sartre is tamelijk extreem. De meeste denkers proberen juist na te denken over wat ons onvrij maakt. Daar heb je wat aan ‘om gewoon een beter en vrijer leven te leiden’ (Luc Ferry). Maar met nadenken over wat ons bindt, zijn we er natuurlijk niet. Heeft vrijheid niet ook te maken met de onbelemmerde verwerkelijking van je wezen? En als dat zo is moet je dan niet ook vragen beantwoorden als: wat is dan dat wezen en hoe verwerkelijk je dat als je moet samenleven met anderen die dat ook willen?

Wat bindt ons?

Het belang van dat nadenken over wat ons bindt, kan, denk ik, niet genoeg benadrukt worden. Het leven van iemand die onvrij is omdat hij blind is voor wat hem bindt, laat ons vaak niet onberoerd. Het krijgt in de ogen van een ander die dat wél ziet, iets komisch of tragisch. Die kwalificaties liggen dicht tegen elkaar aan. We vinden iemand komisch als we ons emotioneel niet met hem verbonden voelen, en tragisch als we dat wél doen. Het kan ons zelfs in hoge mate aangrijpen als we waarnemen hoe mensen op tragische wijze vastlopen in het leven omdat ze niet zien wat hen onvrij maakt. Grijpt het ons niet vooral daarom zo aan omdat wij nooit echt zeker weten of wij zelf geen blinde vlek hebben voor wat ons bindt?

Spinoza

Er is vermoedelijk geen denker te noemen, die ons er op zo’n indringende wijze van bewust wil maken hoe gebonden wij zijn als Spinoza (1633-1677).  Het besef dat we dat zijn, noemt hij vrijheid. Volgens Spinoza is alles gedetermineerd. De opkomst in zijn tijd van de moderne wetenschap, speelde bij die vaststelling een belangrijke rol. Voor Spinoza was de moderne wetenschap een sensationeel fenomeen. Zij maakt het mogelijk dat wij de werkelijkheid verstaan zoals zij is en niet zoals wij ons verbeelden dat zij is. Het onderscheid tussen verbeelding en denken is voor Spinoza erg belangrijk; de wetenschap maakt korte metten met een door de verbeelding geïnspireerd wereldbeeld waarin de mens in het middelpunt staat.

Deze bevrijding van illusies, dat heilzame effect van denken, geeft ons blijdschap en blijdschap zullen wij altijd ervaren als wij ons wezen op onbelemmerde wijze weten te verwerkelijken. Wij doen dat volgens Spinoza dus als wij denken, als wij dat vermogen ontwikkelen dat ons in staat stelt in te zien dat we in een gedetermineerd universum leven. Als het ons lukt ons wezen optimaal te realiseren, zullen we bij machte zijn om ‘ja’ te zeggen (a) tegen de werkelijkheid en dus ook (b) tegen alles wat ons overkomt. Daartoe behoren natuurlijk ook de dingen die een ander ons aandoet. Hij kon immers niet anders handelen dan hij deed omdat de vrije wil een illusie is. Als wij denken dat iemand uit vrije wil ons iets heeft aangedaan komen wij in de greep van emoties als woede en haat. Zij frustreren ons en maken ons onvrij. Tenslotte zullen we ‘ja’ kunnen zeggen (c) tegen de democratie, die vorm van samenleving die een onbelemmerde verwerkelijking van ons wezen het best garandeert.

 Schiller

Dat je ook heel anders over het wezen van de mens kunt denken, laat Friedrich Schiller (1759-1805) zien. Zijn antwoord op de vraag naar dat wezen, klinkt verrassend na wat Spinoza daarover te berde heeft gebracht. De mens bereikt zijn bestemming, volgens Schiller, als hij speelt. Om een beroemde uitspraak van hem aan te halen: ‘De mens speelt slechts waar hij in de volle betekenis van het woord mens is en hij is alleen daar geheel mens waar hij speelt’

Schiller maakte op afstand de Franse revolutie mee die hij aanvankelijk als zovelen in Duitsland met sympathie had begroet. Hij was ontzet toen deze revolutie op een terreurbewind uitliep. De revolutionairen bleken de vrijheid, waar het in deze revolutie toch ook om begonnen was, niet aan te kunnen. De revolutie, schrijft Schiller, heeft hun ‘onbekwaamheid’ en ‘onwaardigheid’ daarvoor aan het licht gebracht. Maar hoe maak je mensen waardig en bekwaam voor de vrijheid? Die vraag probeert Schiller te beantwoorden in zijn Brieven over de esthetische opvoeding van de mens. Hij voert in deze brieven twee typen mens op namelijk de barbaar en de wilde. Beide zijn niet vrij: de barbaar wordt beheerst door regelzucht, de wilde door genotzucht. De revolutionairen waren, in de ogen van Schiller, barbaren of wilden.

Fenomenen als ‘regels’ en ‘plezier’ lijken elkaar uit te sluiten maar doen dat nu juist niet als wij spelen. Wie speelt onderwerpt zich immers met plezier aan de (spel)regels. In het spel realiseren wij op optimale wijze ons wezen, zegt Schiller, d.w.z. onze vrijheid. Niet het denken maar het spelen maakt ons ‘bekwaam’ voor de vrijheid.

De ideeën van Schiller over het spel hadden veel invloed. Om dichtbij huis te blijven: het boek dat remonstrants hoogleraar G.J. Hoenderdaal in 1977 over liturgie schreef (Riskant Spel) is op zijn ideeën gebaseerd.

Rousseau

De laatste denker over wie ik iets zou willen zeggen is Rousseau. (1712-1778) Met hem komt het buitengewoon actuele thema authenticiteit in het vizier.

Het gaat Rousseau ook om de onbelemmerde verwerkelijking van ons wezen, om de vrijheid te zijn wie je bent. Die vrijheid wordt volgens hem echter bij voortduring bedreigd. Dat komt omdat wij moeten samenleven met andere mensen en dat heeft tot gevolg dat de vraag wie ik in de ogen van een ander ben mijn leven gaat beheersen. Daardoor raak ik vervreemd van mijn authentieke zelf. Zonder andere mensen zou het mij beter lukken mezelf te zijn. We zijn ver verwijderd van de opvattingen van Schiller; wie speelt heeft immers de bijna onbedwingbare neiging om aan een ander te vragen: doe je mee?

Om vrij te zijn moet je in de optiek van Rousseau juist onafhankelijk zijn van een ander. Je kunt denken dat je laat zien dat je dat bent als je een ander provoceert. Rousseau deed dat met zijn Bekentenissen. Het is een provocerend boek waarin hij zijn medemensen een mens wil laten zien ‘zoals hij werkelijk is en die mens dat ben ik zelf’.  Dat verlangen heeft iets paradoxaals. Wie werkelijk onafhankelijk is, voelt die behoefte natuurlijk niet. De paradox van het leven van Rousseau was dat hij, terwijl hij streefde naar authenticiteit, verslaafd was aan de erkenning door anderen.

Authenticiteit is sinds Rousseau een van onze grote idealen. Maar het is een paradoxaal ideaal. (Zie Rousseau en ik van Maarten Doorman) Het leven van iemand die ernaar streeft het te zijn, krijgt snel iets geforceerds. Authentiek zijn we vooral op die momenten waarop we er niet op uit waren het te zijn.

Tenslotte: denken over vrijheid kan heilzaam zijn maar het vieren ervan met anderen aanstekelijk. Zij kan dan vat op ons krijgen en ons uittillen boven een in zichzelf opgesloten bestaan.

Foeke Knoppers
remonstrants emeritus-predikant

Zie ook