Monteverdi’s Mariavespers
Foto: Yisris

Monteverdi’s Mariavespers

Het zal een jaar of vijf geleden zijn dat ik voor het eerst de Mariavespers van Monteverdi hoorde. Ik had geen idee wat me te wachten stond, ik was niet zo’n Monteverdi-kenner. De kennismaking met de Vespro della Beata Vergine, zoals de officiële benaming luidt, was een aangename verrassing en hoe meer ik me in deze muziek verdiepte hoe mooier ik het vond.

Claudio Monteverdi (1567-1643) was zanger, violist en componist aan het hof van de hertog Gonzaga in de stadsstaat Mantua. Hij componeerde daar voornamelijk niet-kerkelijke muziek, ballet, theatermuziek, madrigalen en was een van de muzikale vernieuwers. Het was de overgangstijd van Renaissance naar Barok, waar de Mariavespers een prachtig voorbeeld van zijn.

Monteverdi publiceerde in 1610 een bundel kerkelijke muziek: een zesstemmige mis In illo tempore, gecomponeerd in de officiële, goedgekeurde stijl van de kerkmuziek van die tijd én ook de Mariavespers. In de Mariavespers worden verschillende compositietechnieken met elkaar gecombineerd, oude gregoriaanse psalmodieën en avantgardistische solozang, Venetiaanse dubbelkorigheid en concertante instrumentale muziek. De Mariavespers is een mix (fusion) van stile antico, de oude compositiestijlen en stile nuevo, de experimentele nieuwe vormen met meer dramatische effecten. Per onderdeel verschilt de kooropstelling en de instrumentale bezetting.

In deze bundel laat Monteverdi zien wat de stile nuovo kan betekenen voor de kerkmuziek. Bovendien is het als het ware een sollicitatiebrief, waarmee Monteverdi zijn kunnen toont op het gebied van kerkmuziek. Hij draagt de bundel op aan Paus Paulus V en biedt hem persoonlijk aan. In 1613 wordt hij benoemd als kapelmeester aan de San Marco in Venetië, hij werkt er tot zijn dood.

De Mariavespers bevat 13 composities:

Invitatorium: Deus in auditorium (psalm 70: 2)

Psalme  PsalmenConcerti
109 (110) Dixit DominusNigra sum (Hooglied 1:4/2:10-12)
112 (113) Laudate pueriPulchra es (Hooglied 6:3-4)
121 (122) Laetatus sumDuo Seraphim (Jes. 6:3+1 Joh. 5:7)
126 (127) Nisi DominusAudi coelum (Hooglied 6:9)
147 (148) Lauda JerusalemSonata sopra Sancta Maria

Hymne Ave maris stella

Magnificat

 

Vespers

De vespers is het kerkelijk avondgebed bij zonsondergang. De vesperliturgie is opgebouwd uit vaste elementen: een openingsvers, psalmen met antifonen, in Monteverdi’s tijd vijf, later is dat gereduceerd tot twee, een schriftlezing, een hymne en een psalmvers. Het Magnificat vormt de afsluiting.

Welke psalmen er gezongen worden is bepaald in het Liber usualis en dan blijkt dat de Mariavespers van Monteverdi gebruikt kunnen worden voor een feest van een vrouwelijke heilige. Als hymne heeft hij gekozen voor Ave maris stella, waarmee hij aangeeft dat ze bedoeld zijn voor een van de Mariafeesten, zoals Annunciatie, Visitatie, Hemelvaart. De lezingen, die van dag tot dag verschillen, heeft hij niet op muziek gezet, wat de inzetbaarheid van zijn vespers verruimt. Deze niet gecomponeerde teksten worden in eenvoudig gregoriaans gereciteerd.

Antifonen

Monteverdi hanteert de vorm van de vesperliturgie, maar hij wijkt ook enigszins af. De Mariavespers bevat vijf stukken die niet in de liturgie thuis horen, vier solomotetten en een instrumentale Sonata. De teksten van de eerste twee solomotetten, Nigra sum en Pulchra es, zijn liefdespoëzie, verwant aan teksten uit het Hooglied, die vaak dienstdoen als antifonen op Mariafeesten.

Gregoriaanse antifonen leiden de psalm of het Magnificat in door in dezelfde toonsoort een motiverende tekst te laten klinken, die tijdeigen is en dus van dag tot dag verschilt.

In de tijd van Monteverdi werden de antifonen na een psalm wel vervangen door orgelmuziek of concertante vocale of instrumentale muziek. Er wordt wel gedacht dat deze stukken als vervangers voor de psalmantifonen zijn geschreven. Maar doordat in dit geval de toonsoort en toonhoogte niet corresponderen met de psalm is het de vraag of Monteverdi het zo heeft bedoeld.

Psalmen

De psalmen werden in de kerk aanvankelijk sober en eenstemmig gezongen op gregoriaanse psalmtonen. Dat waren eenvoudige melodieën op een willekeurige toonhoogte. Vanaf eind vijftiende eeuw ontstaan eenvoudige vormen van meerstemmigheid, die steeds meer worden uitgebreid. In de tijd van Monteverdi wordt de gregoriaanse melodie rijk en virtuoos versierd door de andere stemmen. Monteverdi weet hier op vele manieren in te variëren, waardoor het nooit saai wordt. Hoewel je misschien op het eerste gehoor concludeert dat de psalmen vooral de stile antico vertegenwoordigen en de concerti de stile nuevo blijkt dat bij nadere bestudering niet te kloppen. In sommige psalmen worden de stijlen al gemengd.

Concerti

In de reeks concerti zit een opbouw: het aantal deelnemende stemmen, zowel vocaal als instrumentaal, wordt steeds groter.

De vier solomotetten zijn prachtige voorbeelden van de moderne stijl die de muziek in dienst stelt van de expressie van de tekst, de seconda prattica. De tekst wordt als het ware geïllustreerd door de muziek door de meest vreemdsoortige versieringen in de zang.

In Audi coelum echoot een tweede tenor steeds de eerste, waarmee hij tegelijk het antwoord geeft op de aanroeping van de eerste. Een voorbeeld is de eerste aanroep die begint met Audi (hoor), de zin eindigt met gaudio, waarop tenor 2 zingt: audio (ik luister). Dat gaat zo het hele stuk door, een in de Barok graag gebruikt effect.

De Sonata sopra ‘Sancta Maria, ora pro nobis’ heeft een totaal ander karakter. Elf maal horen we de aanroeping, gereciteerd boven een instrumentale sonata, als een litanie. Aanvankelijk klinkt de aanroeping identiek, maar gaandeweg ontstaan ritmische variaties, onderbrekingen en verschuivingen in de accenten. De Sonata vormt de opening van het gedeelte van de vespers dat expliciet aan Maria is gewijd.

Magnificat

In het afsluitende Magnificat, de Lofzang van Maria uit Lucas 2, worden de beide stijlen prachtig vermengd. Er zijn twee versies van het Magnificat, een uitbundig zevenstemmig geïnstrumenteerde en een wat intiemere zesstemmige a-capella versie. Het zijn eigenlijk twaalf verschillende composities, elk vers vormt een afgerond stuk. Het wordt bij elkaar gebracht door de doorgaande Magnificat-toon. Het begin van het Magnificat keert terug aan het eind, in stile antico.

Over de uitvoering van de Mariavespers in Mantua en Venetië is niet veel bekend. De meningen verschillen of het als een geheel zou moeten worden uitgevoerd, of dat de Vespers uit een verzameling losse composities bestaat waaruit een of meerdere stukken gekozen kunnen worden. Hoe het ook zij, de Mariavespers is een indrukwekkend meesterwerk. Een meesterwerk in een nieuwe muziekstijl, de stile rapprensativo, die de menselijke emoties representeert en dramatische expressie de kerk binnenbrengt.

Janneke Bron
theoloog en kerkmusicus

Zie ook