Eeuwigheid en oneindigheid bij Escher
Foto: fdecomite

Eeuwigheid en oneindigheid bij Escher

Zeg optische illusie en je denkt aan de Nederlandse graficus Escher (1898-1972)! De redactie wel in ieder geval. Daarom toog ik maar eens naar het Eschermuseum in Den Haag om zijn werk in hoge dosering tot me te nemen. Mooi! Ik kende Escher eigenlijk alleen van posters met zijn bekende optische illusies als ‘Belvedere’, ‘Waterval’en ‘Klimmen en dalen’ (het leukste is als u even mee googelt op uw computer). Maar er is meer te vertellen.

Reislustig

Escher werd geboren in Leeuwarden en verhuisde later naar Arnhem. Hij studeerde Bouwkunde in Delft, maar wilde iets anders. Vanaf 1919 volgde hij de School voor Bouwkunde en Sierende Kunst in Haarlem, waar hij in de leer ging bij de graficus Samuel Jessurun de Mesquita. Tussen 1921 en 1935 maakt hij jaarlijks lange trektochten door Spanje en Italië. In Spanje raakt hij geïnspireerd door Moorse mozaïeken, in Italië tekent en fotografeert hij landschappen en stadjes. Vanaf 1941 gaat hij in Baarn wonen. Het idee voor de litho ‘Drie werelden’ hiernaast schijnt tijdens een wandeling in het bos in Baarn te zijn ontstaan.

Natuur en landschappen

Lange tijd is er een cesuur in zijn werk gezien rond 1937. Dat wordt nu weer een beetje teruggenomen. Voor die tijd is hij veel bezig met de natuur, dat is waar, maar in zijn hele oeuvre komen bijvoorbeeld eindeloos veel salamanders, vogels, vissen, planten, mieren, torren en kikkers voor. Ook is hij in deze eerste periode gefascineerd door spiegeling en perspectief. In het museum zie ik veel houtsneden en litho’s van Italiaanse stadjes. Gestileerd, nooit een-op-een overgenomen van het originele gezichtspunt.  Soms van een hoog standpunt (Morano, Ravello, Calvi, St Pieter, Delft) of juist van een laag standpunt  (San Gimigniano, Bonifacio, Tempel van Segeste). Maar ‘Drie werelden’, waarvan spiegeling het thema is natuurlijk, stamt uit 1955.

Illusie

In ieder geval is het wel zo dat de ‘landscapes’ vanaf 1937 opgevolgd worden door ‘mindscapes’. Escher gaat aan de slag met wiskundige principes en vlakvullingen, een prent die volledig gevuld is met gelijkvormige figuurtjes die nergens overlappen. Soms neemt deze vlakvulling de vorm aan van een cirkellimiet, een geleidelijk inkrimping van dezelfde figuren naar de rand van een cirkel waardoor oneindigheid wordt gesuggereerd.  Escher zoekt in deze periode naar raadselachtigheid in zijn werk, hij zegt zelfs dat hij de kijker wil ‘bedotten’. Dat doet hij bijvoorbeeld door geschakelde ruimtes te maken, onbestaanbare stillevens met spiegelbeelden of vergezichten die niet kloppen (Stilleven met een spiegel, Stilleven en straat). ‘Als de overgangen geloofwaardig zijn accepteren wij een onmogelijke realiteit’, zegt hij zelf. In eerste instantie trappen we in de optische illusie, pas als we na gaan denken zien we dat het beeld niet kan kloppen. In zijn latere werk (Belvedere, Andere wereld, Relativiteit) gebruikt hij geschakelde ruimtes en bijbehorende perspectieven die hij extreem oprekt. Oneindigheid komt ook terug in zijn metamorfoses. U kent er vast wel voorbeelden van: vissen die ganzen worden in de lucht (Lucht en water) of zwarte ganzen die in spiegeling witte ganzen worden (Dag en nacht). Metamorfoses en oneindigheid culmineren in het werk Metamorphose II en III.  Een smal werk van vier meter (later uitgebreid tot 7 meter) lang dat in de rondte loopt.

Het kostte even tijd voordat hij als kunstenaar werd erkend, maar wereldwijd waarderen liefhebbers nu zijn werk. In het Haagse paleis waar een museum van hem is ingericht was het in ieder geval stampvol.

Michel Peters
Projectmedewerker landelijk bureau Remonstranten

Zie ook