Ken je mij?
Foto: Sasha Kargaltsev

Ken je mij?

Het thema van deze AdRem rond Pasen is ‘Je ziet niet wat je ziet!’ Wat zien we als we de moed hebben naar onszelf te kijken? Het is soms al moeilijk genoeg om voor de spiegel te gaan staan en je fysieke buitenkant in ogenschouw te nemen. Ben ik dit? Minstens zo confronterend kan het zijn om de stilte op te zoeken en de blik eens naar binnen te slaan en de vraag toe te laten: wie ben ik ten diepste? Waar zou het eigenlijk over moeten gaan in mijn leven? Wanneer je het zoeken naar een antwoord op die vragen niet langer uit de weg wilt gaan, dan kan je er op verschillende manieren mee aan de slag gaan.

Je kunt een pelgrimstocht maken en naar Santiago de Compostella wandelen, of een week de stilte zoeken in een klooster, of een yoga-cursus volgen die je bij jezelf brengt. Zoals een yoga-docente op Facebook belooft, het brengt ‘rust in je hoofd, contact met je lijf en zin in het leven!’ Zeker, dit alles kan rust brengen op een moment dat je er hard aan toe bent, je wordt ook dichter bij jezelf gebracht, maar leer je jezelf  zo ook (beter) kennen? Daarvoor zijn we merkwaardig genoeg toch vooral aangewezen op anderen. In de omgang met de mensen om ons heen blijkt wie we zijn. Uit de reacties die we krijgen op ons gedrag kunnen we leren wie wij werkelijk zijn. Anderen zijn blij dat je er bent, ze bevestigen je bestaan. Ze houden je een spiegel voor en bieden je de kans je gedrag te corrigeren. Uiteindelijk is dat waar we allemaal naar verlangen in ons leven: ten diepste gekend én geliefd te zijn.

Gekend en geliefd

Dat is nu precies wat er gebeurt in psalm 139. De dichter heeft juist die diepgaande ervaring en wel op het diepste niveau, in de grond van zijn bestaan:  HEER, u kent mij, u doorgrondt mij, wonderlijk zoals u mij kent, het gaat mijn begrip te boven. U was het die mijn nieren vormde, die mij weefde in de buik van mijn moeder. Uw rechterhand houdt mij vast.

Dit besef van gekend zijn, maakt de psalm geliefd, maar toch  is het niet de bekendste en meest geliefde. Dat is ongetwijfeld psalm 23, De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets, een lied van groot vertrouwen en geborgenheid. Psalm 139 is wel een goede tweede. Het drukt uit: ik word gekend.

Moooooooiste liefdesliedje ooooooit?

Huub Oosterhuis schreef met een verwijzing naar deze psalm het lied “Ken je mij” . Het is vooral bekend geworden in de uitvoering van zijn dochter Trijntje. Dat is bijzonder, want het was voor haar, dat hij de woorden destijds aan het papier toevertrouwde, bij gelegenheid van haar geboorte. Ken je mij? / Wie ken je dan? / Weet jij mij beter dan ik? / Ken je mij? / Wie ben ik dan? / Weet jij mij beter dan ik?  Wie is de ’jij’ in deze tekst? Gaat het om een vraag van het kind aan haar vader? Of van de vader aan het kind? Zelf zegt Trijntje over het feit dat ze nu haar vaders’ tekst zingt: ‘Dat ik het op mijn repertoire heb genomen, maakt de cirkel van de band met mijn vader rond. Als ik het zing, voel ik me als een jong meisje op zijn schoot. Heel harmonieus.’ Andere ervaringen met dit lied zijn er ook. Als je op You Tube een live-uitvoering van het lied bekijkt, dan kan je bij de commentaren lezen:  ‘Dit is het moooooooiste liefdesliedje ooooooit. Dit voel ik bij mijn vriendje.’ Je kan met recht menen dat dit pubermeisje er helemaal naast zit.

Veiligheid bij de Ene

Huub Oosterhuis heeft ‘Ken je mij’ natuurlijk niet geschreven als liefdesliedje. De ‘je’ in het lied verwijst niet naar het nieuwste vriendje van haar of een ander. Het is geschreven naar aanleiding van de geboorte van Trijntje, maar het gaat ook niet over haar. Het lied verwijst naar de Ene, zoals op te maken valt uit het vers dat volgt: ‘Ben jij beeldspraak voor iemand die aardig is, of onmetelijk ver, die niet staat en niet valt en niet voelt als ik, niet koud en hooghartig’.  Het gekend zijn door de Eeuwige stelt gerust. Alleen voor Hem, zo schrijft Oosterhuis, is niets verborgen van mijn naaktheid, alleen Hij kan het van mij hebben als ik geen licht geef, niet warm ben, als ik niet mooi ben en er geen bron ontspringt in mijn diepte. Nee, waar ik tegen een ander mens kan zeggen ‘je ziet aan mij niet wat je ziet’, daar weet ik mij wel ten diepste gekend door de Ene. En dat geeft veiligheid. Ik mag onzeker zijn en kanten hebben waar ik zelf van schrik. Hij, de Ene, mag ze kennen en Hij zal mij troosten en bemoedigen. Bij Hem durf ik ze hardop te benoemen. En soms reflecteert een bijzonder mens, een naaste, iets van dat goddelijke verstaan van wie ik ben en is in staat iets te bieden van die veiligheid. Dat is een genade.

Peter Korver
Redactie AdRem, predikant in de Kapel in Hilversum

 

 

Zie ook