Christelijk? Dat zijn de anderen

Christelijk? Dat zijn de anderen

Het artikel ‘Christelijk? Dat zijn de anderen’ uit het vorige nummer van de AdRem maakte veel reacties los. Twee van die redacties leest u hier onder.

Christelijk? Dat zijn wij!

In de vorige AdRem stuitte ik op een kort stukje van mijn drie studiegenoten Madelief, Rachelle en Sandra. Een herkenbaar stuk: kunnen wij onszelf christen noemen? Dat zijn toch anderen? Anderen, met regels en gebruiken die niet de onze zijn? Er lijkt wat schroom te zijn om onder de paraplu van het christendom te gaan staan, juist omdat de buitenwacht vaak ambivalente en negatieve associaties heeft bij dat geloof. Maar daar mag wat mij betreft geen punt achter staan.

Een begrijpelijke schroom is het wel, maar als we iets kunnen doen om die terughoudendheid te doorbreken dan is het wel de term christelijk of christen weer te claimen voor de volle breedte van het christendom, inclusief de vrijzinnigheid! Pas dan worden christenen moeilijker in hokjes te vangen. Ook ik heb een atheïst ooit moeten uitleggen dat het schandaal van kindermisbruik toen niet ging over mijn denominatie. De term christen op jezelf plakken levert de mooiste en diepste gesprekken op. Als ik vurig de evolutietheorie zit te verdedigen dan is er altijd veel verbazing over dat ik mijzelf christen noem en zelfs voor ga in diensten. Dat biedt garantie voor gespreksstof tot in de late uurtjes, kan ik jullie vertellen.

Daarom, lieve studiegenoten, zou ik zeggen: plak jezelf het etiket christen juist op en ontkracht keer op keer de stigma’s en vooroordelen. Als dat ons met z’n allen lukt hebben we straks geen reclamecampagne meer nodig.

Hartelijke groet, Jaap Marinus

Verontschuldigingen zijn niet nodig

Met een licht opgetrokken wenkbrauw legde ik de laatste AdRem terzijde, na het lezen van het korte stukje van drie seminaristen over het al dan niet christelijk zijn. Die wenkbrauw komt voort uit de klaarblijkelijke behoefte zich te distantiëren van het christelijke karakter van de kerk, waar we als vrijzinnige protestanten toe behoren. Ik herken dat wel een beetje, dus de opgetrokken wenkbrauw is niet alleen op de drie seminaristen gericht, maar ook een beetje op mijzelf. Ik hoor me mijzelf soms verontschuldigen voor het feit dat ik naar die kerk ga. Met andere woorden: gekozen heb om te behoren tot een christelijke gemeenschap. Dit komt voort uit de in Nederland sterk heersende overtuiging dat je óf atheïst bent, óf orthodox gelovig.

Die tweedeling wordt door polemische atheïsten maar al te graag zo eenzijdig neergezet (Zie Drees, Een beetje geloven) en die houding ervaar ik regelmatig in gesprekken met Nederlanders over de kerk en het geloven. Voor de vele verschillende smaken, dus ook de

onze, is daarin geen ruimte. Daar komt voor mij in elk geval de behoefte tot verontschuldigen vandaan.

Tegelijkertijd ben ik daar ook behoorlijk klaar mee: het is mijn keuze om mij aan te sluiten bij de Remonstranten, en daarmee ben ik christen. Eentje die het belangrijk vindt dat je zelf invulling geeft aan wat je gelooft, die probeert bij te dragen aan een betere wereld en die het belangrijk vindt dat we naar elkaar omkijken. Daar wil ik mij helemaal niet voor verontschuldigen en al helemaal niet van distantiëren. Daar wil ik juist in mijn volle overtuiging voor staan. Sinds ik dat probeer te doen, zijn de gesprekken interessanter, dieper en mooier geworden. Oók met mensen die niet geloven en moeite hebben met het concept van kerkgemeenschap zijn. En dan ook nog op vrijzinnige leest geschoeid, dat is iets wat veel mensen niet kennen. Maar eigenlijk hoeft het daar helemaal niet over te gaan: de gesprekken op zich zijn al mooi genoeg!

Jan Berkvens

Zie ook