Stephan Sanders, van atheïst naar gelovige
Foto: Jake Guild

Stephan Sanders, van atheïst naar gelovige

In artikelen in dagblad Trouw en de Groene Amsterdammer doet filosoof en journalist Stephan Sanders verslag van zijn aarzelende stappen als gelovige. Een waarneming die mij trof door de oprechtheid en fijnzinnige vraagstelling. Voor AdRem sprak ik met hem over hoe het begon en hoe het is.

Gemis en dankbaarheid

Gemis en dankbaarheid zijn de eerste aanzet geweest voor zijn religieuze zoektocht.

‘Gemis, omdat ik als geadopteerd kind naar bevestiging van mijn bestaan zocht. Ik had geen ouders die mijn geboorte bevestigen; er is niemand op wie ik fysiek lijk. En tegelijk is er zoveel ‘ja’ tegen mij gezegd. De nonnen in Halfweg die me hebben opgenomen, die me hebben gedoopt, en dan mijn ouders die me hebben geadopteerd.

Toen mijn ouders beiden gestorven waren en mijn zusje ook, was er zoveel afbraak, ik had sterk de behoefte om familie aan te maken. Tegen D, mijn vriend zei ik toen: we moeten trouwen. En hij wilde dat ook. Zijn liefde is zoveel meer dan lichamelijk; het is ook geestelijk en voorbij het persoonlijke, voorbij de vader, de grootvader en voorbij de zoon, die ik nooit heb gehad. Ik vroeg me af, waar heb ik zoveel ‘ja’ aan verdiend? Dat iemand ‘ja’ tegen je zegt is al bijna goddelijk. Dat maakt me dankbaar. En zo’n vijf jaar geleden ben ik dat eerdere gemis religieus gaan duiden.

Het religieuze is mij aangereikt in mijn opvoeding. Mijn vader was als hoofd van een rooms-katholieke school praktisch gelovig. Mijn moeder had een meer mystieke instelling, had ook belangstelling voor de Russisch-orthodoxe kerk. Met haar had ik een mystieke band en we deelden de liefde voor Gerard Reve, met name de Dagsluiting, een gedicht dat mijn moeder op haar rouwannonce wilde hebben. Eigenlijk geloof ik niets en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.’

Evangelie van het niets

‘Ik ervoer het tekort van een atheïstische levenshouding. Het evangelie van het niets dat zo zeker is van zichzelf en weinig getuigt van onzekerheid. Schrijvers als Kellendonk, Reve en Otten en ook Christian Wiman brengen onzekerheid en twijfel naar voren. Zij denken niet enkel in dogma’s. In de praktijk kom ik weinig valse zekerheid van religie tegen. Wat ik mooi vind bij Wiman is dat hij zich kan overgeven. Dat is wat ‘autonome mensen’ onvergeeflijk vinden.’

Proefgeloven

‘Bij mijn beschouwingen over gemis begon ik me af te vragen: misschien ben ik wel gelovig. De eerste die dat tegen me zei was Willem Jan Otten. Bij een interview zei hij opeens zachtjes tegen mij: ‘volgens mij ben je al lang gelovig, onder het mom van atheïsme.’ Ik vond dat verrassend, maar ook bevrijdend. Toen ben ik eerst eens gaan proefgeloven. Ik zei tegen vrienden: ‘ik denk dat ik gelovig ben’. Sommigen waren nieuwsgierig en vroegen hoe het voor mij was, anderen waren wat argwanender. Of ik zei hardop: ‘God’, of ik probeerde te bidden, me te richten tot God. Dat ging niet. Als kind had ik hele gesprekken met een Iemand, maar toen een periode  van veertig jaar niet. Ik ben geweekt in atheïsme en ongeloof. Dat proefgeloven begon ik op den duur wat narcistisch te vinden, alsof geloven alleen een ik-gebeuren is. Als je sportief wilt zijn, dan vraag je je niet af: ben ik sportief? Nee, dan ga je hardlopen of naar de sportschool. Dus ik ging kerken bezoeken. De doopsgezinde kerk in Amsterdam, de Ecclesia van Huub Oosterhuis. Allemaal heel netjes en aardig maar ik vond het teveel een literatuurclub, een congres, dat kende ik wel van mijn eigen journalistieke kringen.’

Sacramenten en mysterie

‘Ik ging eens met mijn schoonmoeder mee naar de rooms-katholieke kerk in Paramaribo. En van alle kerken is voor mij de rooms-katholieke kerk de meest overtuigende. Alles wat ik niet kan verwoorden gebeurt daar in gebaren, in rites, in knielen. Knielen is het moeilijkste wat er is, maar ook het mooiste, daarmee neem je afscheid van je hoogmoed. Ik houd van de gebaren die voorafgaan aan woorden. Het mysterie dat gekoesterd wordt. Iedere eucharistieviering wordt het mysterie opnieuw waargemaakt in de transsubstantiatie. Transsubstantiatie is voor mij de verbeelding van het mysterie; brood dat lichaam wordt.

Sacramenten zijn oeroud en het meest heidense in de kerk. Ik vind het fantastisch, dat je zo meegenomen kunt worden. Dat je afspreekt: alle ongeloof en cynisme schorten we op en we maken het sacrament waar. En dan gebeurt wat ik het moeilijkste vind: me overgeven. De katholieke mis dwingt me ertoe een sprong te maken, die ik zelf niet kan verantwoorden, maar zonder die sprong wordt het niks. Ervaring, overgave, aanraken, toelaten, deemoedigheid, de onvoorstelbaarheid van God op je in laten werken. Het intellectuele is niet wat ik nodig heb.’

Maria en bidden

‘Via Maria tot Jezus. Dat is een uitspraak van Reve en het is voor mij ook zo. Mijn geloof is bij uitstek een moedergeloof. De Mariacultus is belangrijk voor mij, ik kan niet geloven zonder moeder, zij is de ingang tot geloof. Bij mij was dat letterlijk zo; door je moeder word je aangenomen. En, ze weet dingen voor elkaar te krijgen bij de vader. Bidden via Maria gaat makkelijker.

En zo krijgen we het over bidden. Over de Goede Verstaander, over een ‘spoken to’ van de dichter Paul Goodman.

‘Goodman is niet gelovig, maar hij heeft in een moeilijke periode een God uit de grond gestampt, die hij met respect en zonder ironie behandelt en met wie hij spreekt. In het vertrouwen dat er iets landt van het gesprek, in de hoop dat het verstaan wordt en op raadselachtige wijze niet onopgemerkt blijft; dat je door een iemand gezien en gehoord bent. Dat is een geloofshandeling.’

 Vervreemding en herkenning

‘Sommige vrienden van mij vinden het echt naar dat ik gelovig ben. Ze vinden dat ik een gemeenschappelijke rationele houding heb opgegeven: de moed om goddeloos door het leven te gaan. Alsof het een verraad is. Anderen zijn netjes en zwijgen en zorgen dat het onderwerp niet aan de orde komt. Weer anderen zijn nieuwsgierig en vragen wat ik zoek en hoe ik het doe. In al die gesprekken is het verrassend te merken dat praten over geloven zo’n grote verlegenheid en schaamte met zich meebrengen. Het lijkt alsof het taboe op seks in de jaren vijftig verschoven is naar geloven; ik herken dezelfde bewegingen, dezelfde schaamte in dit praten over geloven als de tijd dat ik als puber mijn homoseksualiteit ontdekte en uitprobeerde. Nu ben ik het stotteren over God voorbij, alhoewel ik het nog steeds een beetje raar vind om ‘God’ te zeggen. Bovendien ben ik beducht op overcompensatie. Ik vind dat ik nu iets te vloeiend over mijn geloven spreek. Dat wantrouw ik.

Terugblikkend over deze jaren, is het bijzonder dat ik als pasgeboren jongetje bij de nonnen gedoopt ben. Daardoor hoor ik bij een grote wereldkerk van tweeduizend jaar; daar heb ik nu mijn geestelijk thuis gevonden. ‘

Fride Bonda
Predikante Remonstrantse Gemeente Zwolle

Zie ook