Het ultieme spel. Reflecties over Christa Anbeek’s ‘Voor Joseph en zijn broer’
Foto: Amira

Het ultieme spel. Reflecties over Christa Anbeek’s ‘Voor Joseph en zijn broer’

De vraag naar het ultieme

Deze eeuw is de eeuw van de ultieme vragen. Christa Anbeek wijdt haar laatste boek aan zulke vragen; het is in september verschenen bij uitgeverij Ten Have. De vraag naar de zin en de onzin van het bestaan is zo’n ultieme vraag. Ultiem, ultimus in het Latijn: laatste. De laatste vragen dus, als die beantwoord zijn, zijn er geen vragen meer. In een eeuw waarin de zin en de onzin van het bestaan ons niet meer van buitenaf worden aangereikt – door God, de ideologie, het vaderland of de gemeenschap – is de kans dat deze ultieme vragen beantwoord worden, echter kleiner en kleiner geworden. Deze eeuw is de eeuw van de zinzoekers: ieder mens wil zelf vormgeven aan zijn of haar leven, een eigen wereld bouwen van verhalen, symbolen, beelden en rituelen. Dat zin zoeken is het logische gevolg van ons verlangen naar vrijheid en autonomie. Zin die me aangereikt wordt, zin als geschenk, dat wantrouwen we, want ligt de bevoogding hier niet op de loer? We geven er de voorkeur aan zinvragen, of we die nu seculier of spiritueel invullen, bij onszelf te laten beginnen: geloof begint bij jezelf.

Echter, hoe minder het ultieme gegeven is, hoe meer het een probleem wordt. De zin en de onzin van het bestaan moeten we zelf uitzoeken, en daarmee is ‘zin’ iets radicaal instabiels en tijdelijks geworden. Op deze manier nemen de ultieme vragen toe, naarmate de ultieme antwoorden afnemen. Anbeek’s boek beweegt zich in deze ingewikkelde dynamiek, en haar taal voelt zich daar thuis, tussen de dilemma’s van onze eeuw.

Contrastervaring

Een van de belangrijkste begrippen in Voor Joseph en zijn broer is het begrip ‘contrastervaring’: wanneer mensen in onze tijd op zaken van ultiem belang stuiten, zoals het in de ondertitel luidt, dan is dat een ontregelende en openbrekende ervaring. ‘Of ik nu een lezing geef of een collegeserie start, altijd leg ik uit dat contrastervaringen het uitgangspunt van mijn denken zijn. Zij vormen tevens de rode draad in mijn boeken en andere publicaties.’ (31)

Terecht laat Anbeek zien dat het ultieme dus niet zozeer een of ander gebied is, zoals de goddelijke wereld, en evenmin iets met zekerheid en waarheid te maken heeft. Het is niet iets wat van een hogere of andere orde is en dus aan gene zijde van onze werkelijkheid zou liggen – al is dat wel de etymologische betekenis van ultus: voorbij de grens, elders. Het ultieme ligt, juist in onze eeuw van ultieme vragen, besloten in de ervaring van een grens. Het is de grens, of liever een grensgebied of niemandsland, waarin ik de ervaring onderga dat alles op het spel staat. Zij vergelijkt dit met de klassieke theorievorming over het heilige, zoals bij Rudolf Otto (178): het heilige als breuk in mijn wereld, als een grens die insnijdt, en die als zodanig aantrekt en afstoot tegelijkertijd. Men moet dus niet spreken over de ervaring van het ultieme, alsof dat een object zou zijn van onze subjectieve ervaring, maar over ultieme ervaring. Dit niemandsland van de pure grens is het meest interessant, stelt Anbeek, in dialoog met de antropoloog Victor Turner (181):
‘Dit grensgebied wordt vaak vergeleken met de dood, of in de baarmoeder zijn, onzichtbaar, in het donker, in de wildernis, en ook wel met een verduistering van de zon of de maan.’

Ook andere denkers van het ultieme die Anbeek inspireren, zoals Paul Tillich of Irvin Yalom, trekken het ultieme binnen de ervaring, en zien het als een dynamiek die bij het leven hoort. Tillich spreekt over ultimate concerns en duidt het christelijk geloof als een sprong in het niemandsland.

Levensverhaal

Maar als het juist is om het ultieme binnen onszelf te trekken, hoe er dan over te spreken? In Voor Joseph en zijn broer maakt Anbeek hier een duidelijke keuze: zij vertelt haar eigen levensverhaal. Via de komst van haar kleinzoon Joseph in haar leven hervertelt zij dat leven. De vreemdeling stelt haar in staat zichzelf opnieuw op het ‘spoor’ te komen:

‘Al schrijvend wilde ik iets tegenover de dood zetten, iets wat maakt dat het leven te doen is. Dertig jaar lang was dit mijn hoofdtaak, totdat zich een andere, ongekende contrastervaring aandiende: de geboorte van een vreemdeling. Mijn kleinzoon maakte een al langer sluimerende vraag urgent. Hoe kan ik het schip van koers laten veranderen, van altijd maar bezig zijn met dood en gemis naar samen plezier maken? Met vallen en opstaan zocht ik een weg. Het spelen van de vreemdeling wees mij een spoor.’ (12)

Is het de missie van dit boek, zo persoonlijk van insteek en kwetsbaar van taal, om de lezer te leren hoe tot jezelf te komen? Gaat het over authenticiteit, dat zo geliefde woord in de eeuw van de zinzoekers? Is de auteur van Overlevingskunst (2010) nu overgegaan naar de levenskunst? Die conclusie ligt misschien enigszins voor de hand, als je Voor Joseph en zijn broer leest, maar ik vind dat wat te makkelijk. Anbeek’s boek past zeker goed in onze eeuw, waarin ultieme vragen als open wonden in ons mens- en wereldbeeld onoplosbaar zijn geworden, en waarin we alleen nog maar op deze vragen kunnen antwoorden door het vertellen van ons levensverhaal. Verinnerlijking noemt de filosoof Charles Taylor dat, en hij analyseert het als een van de kernprocessen van de moderne cultuur. Alles draait niet zozeer om de dingen en de gebeurtenissen, maar om onze beleving ervan. De media weten met die belevingscultuur wel raad.

Spel

En toch heeft de stem van Christa Anbeek vooral ook iets oneigentijds. Ze vertelt haar levensverhaal met horten en stoten, telkens onderbroken door reflecties waarin de ander inbreekt: de vele denkers met wie ze in gesprek is. In dat opzicht is het boek een duidelijk voorbeeld van wat in de recente literatuurwetenschap het braided essay wordt genoemd: een reflexief betoog met diverse inhoudelijke lijnen en lagen, die elkaar ‘kruisen’. Daarbij is een van de lagen doorgaans een persoonlijk verhaal in brokstukken, dat soms aansluit bij het reflexieve betoog en dan weer een eigen weg gaat.

Anbeek’s levensverhaal is nog om een andere reden niet zomaar een relaas van verinnerlijking en ‘thuiskomen bij jezelf’. Het is ook een sprong in het ongewisse: een spel met zichzelf waarvan de uitkomst onbekend is. Dat brengt me bij het tweede kernbegrip uit dit boek: spel. Voor Joseph en zijn broer is een grondig onderzoek naar wat een spel, wat spelen eigenlijk is, en het voert dat onderzoek uit door middel van een rijke fenomenologische analyse. Speltheorieën uit de laatste honderd jaar passeren de revue, zoals Huizinga’s beroemde Homo ludens, vernieuwend onderzoek naar de relatie tussen spel en religie komt ter sprake, maar ook observeren we het spelen van Joseph, en raken we ingevoerd in Anbeek’s eigen methodiek, die van het dialoogspel. Eén denker over het spel mis ik: Friedrich Nietzsche, die in de twintigste eeuw een spoor van nieuwe inzichten in het spel als antropologisch nevenverschijnsel teweeg heeft gebracht: het spel als schaduwzijde van de moderne subjectiviteit. Maar Anbeek denkt toch ook Nietzscheaans over het spel. Wie speelt, is niet zomaar ‘zichzelf’, wordt niet zomaar zichzelf, maar verliest zich. We begeven ons in een ruimte die we niet meester zijn: de ruimte van ons leven die ons vreemd blijft. Dat is het spel zoals Alzo sprak Zarathoestra of De vrolijke wetenschap het presenteren.

Daarmee blijft de auteur het ultieme niemandsland trouw, waarin immers alles op het spel staat: al wat ‘ik’ ben, al wat mij ‘eigen’ is, heel mijn waarheid en identiteit. Haar boek legt een ander, tegendraads aspect bloot van de eeuw van de zinzoekers: er is niets gewoons aan ‘jezelf zijn’. Zij vertelt haar levensverhaal als een spel met zichzelf: wie speelt, verdubbelt zich direct. Dat is de structuur van ieder spel: je verdubbelen in het beeld dat je schept, en in die verdubbeling ontsnap je aan jezelf, ‘ontga je jezelf’. Dat klinkt als een verlies, maar ik denk dat het een productief verlies is: het verlies dat klinkt in alle levensverhalen van deze eeuw, op zoek als ze zijn naar het ultieme dat wijkt. In elk geval verwijst dit spel met verlies naar wat Hannah Arendt, de filosoof waaraan de mooiste passages van Voor Joseph en zijn broer zijn gewijd, de ‘kracht van het onvoorspelbare’ heeft genoemd.

‘Met woorden en daden aan elkaar verschijnen maakt ons menselijk. Dit verschijnen is mysterieus: het wie van wie je bent kan zich zo onthullen, niet alleen voor de ander, ook voor jezelf. Wij zijn meer dan een optelsom van eigenschappen, gaven, deugden en tekortkomingen. Wie wij zijn weten we niet, maar in spreken en handelen worden wij opnieuw geboren. Wij zijn aangewezen op het samen en niet op onszelf.’ (164)

Laurens ten Kate
Bijzonder hoogleraar vrijzinnige religiositeit en humanisme aan de Universiteit voor Humanistiek te Utrecht. Hij publiceerde in 2016 De vreemde vrijheid. Nieuwe betekenissen van vrijzinnigheid en humanisme in de 21ste eeuw (Amsterdam: Sjibboleth), en in 2017 samen met Marcel Poorthuis 25 Eeuwen theologie. Teksten en toelichting (Amsterdam: Boom).

Zie ook