Recensie:  Terug naar de naakte bestaanservaring
Foto: Catrin Austin

Recensie: Terug naar de naakte bestaanservaring

In haar laatste boek ‘Voor Joseph en zijn  broer’ maakt Christa Anbeek, net als in eerdere boeken, de samenhang  transparant tussen haar existentie en haar denken. Voor mij een verademing. Bij oudere theologen en filosofen moest je maar gissen naar die existentiële ervaringen die schuil gingen onder een abstract betoog of systeem. De redenering leidde een eigen leven.

Anbeek onderzoekt waar ze vandaan komt. Ze volgt de duistere lijn van zelfdoding tot in vorige geslachten en maakt navolgbaar voor de lezer hoe haar dat diepgaand beïnvloedt in haar levensgevoel en in haar denken. En soms is het is volgen van die lijn best een kluif, beklemmend en gecompliceerd als die is.

Levensvreugde
Bovenal laat zij zich aan het handje van haar kleinzoon, spelenderwijs, meenemen in de herontdekking en herbeleving van de levensvreugde die er van begin af aan ook in haar leven was, maar ondergesneeuwd. Op haar beurt neemt ze de lezer mee en zie je hoe de levenslust en levensmoed  die gebutst is en soms op knappen stond, wint aan kracht in de omgang met haar kleinzoon. Ze herontdekt het spelen. Bijna ongemerkt zie je haar een (voorzichtige) sprong maken in het zich opnieuw toevertrouwen aan het leven. Er komen filosofische en theologische denkers om de hoek kijken die met haar mee wandelen op haar zoektocht naar zin. Deze metgezellen werpen licht op de prille ervaringen, geven er voedsel aan en zetten een en ander in een groter verband.

Wat Anbeek tegelijkertijd laat zien aan de hand van haar eigen biografie is hoe haar ervaringstheologische methode werkt. Ze volgt zelf de methode die ze aanbiedt en die ze als serieus spel ontwikkelt voor haar studenten, collega’s en lezers. Een vragenspel in de ruimte van het ongedwongen onderzoek van het eigen bestaan en dat kan alleen samen: het verkennen van de eigen biografie met name waar de breuklijnen zich aftekenen, zowel de verwoestende inbreuken van verlies en verwonding, als ook de vervullende en openende ervaringen. Deze verkenning en dus verwoording zijn de eerste en noodzakelijke stappen naar een meer samenhangend theologisch verhaal. In een klassieke theologie werden die stappen systematisch overgeslagen.

Gesneden koek
Wat in het land der theologen wellicht vernieuwend is, is voor geestelijk verzorgers gesneden koek.  Zo moeten wij te werk gaan in een wereld waarin veel mensen geen religieuze achtergrond meer hebben. Bewust van onze eigen voorlopige ‘levensbeschouwelijke biografie’ – die hebben we geschreven in initiële opleiding of nascholing en ontwikkelt zich verder – scheppen we ruimte voor het verhaal van de ander. We gaan naast iemand zitten. Het verhaal kan zich ontvouwen, de nood van het moment en ook, middels een intelligent en gevoelig vragenspel, de grote lijnen van het levensverhaal. In de tussenmenselijke ruimte kunnen ze zich ontvouwen: die handvol werkelijk betekenisvolle ervaringen, verwondend en verheffend.

Geestelijk verzorgers hebben altijd impliciet of expliciet de vraag bij zich: hé wat heeft jou op de been gehouden, hoe heb je gereageerd op wat je meemaakte, wat hielp je (coping), wat heb je ontdekt en gevonden. Vragen om het onverwoestbare op het spoor te komen. Soms wordt, door het vragenspel in combinatie met oprechte nabijheid, de verbinding hersteld met levensmoed, een onberedeneerd vertrouwen, gevoel van geborgenheid ondanks alles, perspectief, weer voelen ‘hé, hier leef ik voor’, of met een geloofstraditie waarmee men in meerdere of mindere mate vertrouwd is. Daar vinden we immers de neerslag van steeds weer opgedane ervaring, getuigenissen van oervertrouwen in het Mysterie van het leven ondanks alles, inclusief de nacht, de verwarring, het aan de grond zitten en het gebrokene.

Religieuze tradities
Ik proef bij Anbeek grote terughoudendheid in het zich verbinden met de religieuze tradities. Daarom spreekt zij mij meer als geestelijk verzorger aan dan als predikant. Waarom die verbinding niet zoeken bij de zogenaamde ‘tegenplekken’ (p.211) waar mensen vrije bezinningsruimte vinden in hun ontregeling, zoals een begraafplaats, een museum, bibliotheek of een psychiatrische inrichting (met park), waarom niet het stiltecentrum in een ziekenhuis noemen of de kapel, de kerkruimte waar mensen, kerkelijk of niet, zeggen zo graag te komen om kaarsjes te branden? En bij vergeving wel Hannah Arendt als metgezel noemen maar met geen woord reppen over de vergevingstraditie van bv. het Christendom?

Als geestelijk verzorger zie ik wel, dat als het gaat om herverbinden met religieuze tradities in onze samenleving, zich niets laat afdwingen, opdringen, aanpraten of forceren.  Men moet ‘from scratch’ zelf ontdekken, ondervinden. Men moet met eigen ogen, hart en denken reageren. De autonomie van de ander is leidend. Soms kun je iets aanreiken als geestelijk verzorger waarvan je denkt dat het aansluit bij de ander, uit literatuur, kunst of een levensbeschouwelijke traditie. Soms is dat verrijkend voor de ander, zet het iets in gang. Vaak ook niet en vindt iemand een antwoord waar jij niet op had kunnen komen. Je kunt niet anders dan terug keren naar het begin, het delen van ervaring en het opnieuw uitvinden van een zingevende wiel. Alsof er niets voorgegeven is.

Ik heb de indruk dat Anbeek ons steeds weer doet terugkeren naar die préchristelijke, préreligieuze, naakte bestaanservaring, als bron van denken, zingevend filosoferen en theologiseren.

Aan het front
Dit sluit naadloos aan bij waar wij ons als geestelijk verzorgers bevinden, midden in de samenleving, aan het front zo je wilt, daar waar de klappen vallen of zijn gevallen, in krijgsmacht, psychiatrische inrichting, verpleeghuis, verslavingsinstelling, gevangenis, ziekenhuis en in de wijk. In een cultuur waarin levensbeschouwelijke tradities hun zeggingskracht hebben verloren. Er zit niets anders op dan van de grond af aan, naast de ander, bewust van eigen levensbeschouwelijke biografie, ruimte te scheppen voor het verhaal van de ander, klankbord worden, en door ongedwongen vragenspel te speuren naar zin, samenhang, perspectief en levensmoed. Elke keer een avontuur waarvan de uitkomst niet vaststaat. In het meedenken met dit proces ervaar ik Christa Anbeek als  bondgenoot.

Florus Kruyne
Geestelijk verzorger in een algemeen ziekenhuis én remonstrants predikant in Utrecht

Zie ook